C-Archief 1900-1999

28 bookmarks
Custom sorting
Eindcolloguium Eindhoven Fred Gieltjes 1975-01-17
Eindcolloguium Eindhoven Fred Gieltjes 1975-01-17
TH Berichten 10-01-1975 (weerkbald voor personeelsleden en studenten van de TH Eindhoven) met op pagina 7 onder Bouwkunde aankondiging van Eindcolloguium van Toon v.d. Brink en Fred Gieltjes op vrijdag 17 januari om 14:00 uur in de ruimte HG.10.65 onderwerp: De kwetsbaarheid van het natuurlijke milieu als basis voor de ruimtelijke inrichting van het Gooi.
·up.raindrop.io·
Eindcolloguium Eindhoven Fred Gieltjes 1975-01-17
Op bezoek in het hoofdkwartier van de nazi’s (1923)
Op bezoek in het hoofdkwartier van de nazi’s (1923)

De ‘Swastika’, de Duitse ‘Ku Klux Klan’ De Groene publiceerde op 20 oktober 1923 een met Hitlers beeltenis opgesierd artikel over de ultranationalistische, militaristische en extreem antisemitische ‘Hakenkruisbeweging’ dat werd geschreven door de joods-Amerikaanse journaliste Lily Winner.

Lily Winner

20 oktober 1923

Cadeau geven

Delen

Leeslijst

NSDAP meeting, Bürgerbräukeller München, 1923 © Bundesarchiv In het katholieke Beieren is een beweging ontstaan die verwant schijnt aan de Ku Klux Klan in de Verenigde Staten, met dit verschil dat alle verbittering en haat, hoofdzakelijk van katholieke, maar ook van protestantse zijde geconcentreerd is tegen de joden. De naam der beweging is ‘Haken Kruis’, met de ‘Swastika’ als symbool. Zij heeft een uitgesproken militaristische organisatie, goed bewapend, met een speciaal goed geoefend ‘Stormtroepen’-corps, onder leiding van de onbetrouwbare dwaas Adolf Hitler.

De naam ‘Haken Kruis’ is een soort van lieflijke benaming voor de werkelijke organisatie, officieel bekend als de ‘Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij’. Ik bracht het grootste gedeelte van vier dagen in haar hoofdkwartier door, waar ik kennis maakte met de leiders der beweging, me op de hoogte stelde van hun plannen, programma enz. en het ten slotte zo ver wist te brengen dat mij een onderhoud met Hitler zelf werd toegestaan. Het was een tijd van grote opwinding, daar Dr. Von Kahr juist militair dictator van Beieren was geworden en een van zijn eerste verordeningen was het verbieden van Hitlers bijeenkomsten.

Dat Hitler zijn partij een ‘Socialistische Arbeiderspartij’ noemt, is al heel dwaas. De partij is evenmin socialistisch als dat ze uit arbeiders bestaat. Haar leden zijn hoofdzakelijk oorlogszuchtige jongens, onontwikkelde knapen, zeer ontvankelijk voor een aanhitsing tot rassenhaat, en die noch analyseren noch begrijpen wat er verstaan wordt onder politiek of staatkunde. Behalve Hitler zag ik slechts één volwassen man in uniform en deze bleek geestelijk al even onrijp als de jongeren. Deze man, een lang en mager individu van ongeveer 35 jaar, met een ingevallen gezicht en een ongemakkelijk humeur, Fritz Henffstängel genaamd, laat zich erop voorstaan dat hij twintig jaar in de Verenigde Staten heeft doorgebracht.

Mijn vragen brachten de merkwaardige feiten aan het licht dat hij een vroegere bewoner was van het dorp Greenwich bij New York en tijdens de Wereldoorlog door de ‘Alien Property Custodian’ uit zijn zaak in kunstvoorwerpen was gezet. Hij is Hitlers rechterhand. Toen ik met verschillende dagbladcorrespondenten hierover sprak vertelden ze mij dat zijn beweringen en verhalen niet altijd klopten. Hij zegt dat hij een graad heeft behaald aan de Harvard University in Massachusetts en dat hij voetballer is. Hij vertelde mij, op mijn vraag of hij had mee gespeeld in een van de elftallen van Harvard, dat hij veel geroeid had. Ik maakte hem duidelijk dat ik begrepen had dat het speciaal de voetbalsport was waarin hij belang stelde, maar dat ontkende hij en hij beweerde dat hij, omdat hij piano speelde, geen enkel ruw spel durfde spelen uit vrees zijn handen te beschadigen. Ik ging op dit punt niet verder in. Het gevaar voor iemands handen bij het roeien scheen mij al even groot als bij het voetballen, doch de kwestie was slechts daarom van belang, om het type van mannen aan te tonen die de leiders zijn van deze beweging.

Hitler, de vroegere huisschilder, die zelfs in de oorlog geen officier is geweest, matigt zich een Napoleontische houding aan en spreekt veelbetekenend over Mussolini, hopende eenmaal Mussolini’s plaats in Duitsland in te nemen, zonder echter Mussolini’s persoonlijkheid en bekwaamheden te bezitten. Hij is een man van omstreeks 35 jaar, met bruin haar en koude visachtig blauwe ogen, het ene kleiner dan het andere, een echt gedegenereerd type met een zenuwachtige trek om zijn mondhoeken wanneer hij spreekt. Hij dwingt zijn gelaat tot een ernstige, onvriendelijke uitdrukking als om er de waarheid aan te verlenen van een man van betekenis. Verder heeft hij een bespottelijk klein Charlie Chaplin-snorretje, spreekt in korte afgebeten zinnen, met een zware stem, alsof het heil der wereld van zijn woorden afhing.

‘Zeg aan de Amerikanen’, zei hij tot mij, terwijl hij mij strak aankeek en de klemtoon legde op elk van zijn woorden, ‘dat mijn boodschap aan hen deze is: “Wanneer gij u niet bevrijdt van uw joden, Japanezen en negers, dan zal het reine hartenbloed van de natie bezoedeld worden.” Hun strijdkreet behoort te zijn “Amerika voor de Amerikanen”, zoals de mijne is “Duitsland voor de Duitsers”.’

Zijn hoofdkwartier maakt de indruk van dat van een legeraanvoerder. Zijn voornaamste helpers zijn kapitein Herrmann Esser, uit het vroegere Duitse leger; majoor Weiss, eveneens uit het leger en nu trainer van de ‘Stormtroepen’ van het ‘Haken Kruis’; Dietrich Ehrhardt, een derderangs dichter en de straks genoemde Fritz (of Frank) Henffstängel. De eerste drie mannen zijn allen beneden de dertig jaar.

Ik sprak uitvoerig en op verschillende tijden met deze vier mannen. Ze schenen zich meer bezig te houden met hun antisemitische bedrijf dan met Duitslands aangelegenheden of enige andere fase in de ‘Haken Kruis’–beweging. Was het mij wel bekend, informeerde Henffstängel statig, dat de Franse Revolutie was bespoedigd door de ‘jood’ Voltaire? Neen, ik moest bekennen dat ik altijd gedacht had dat dit niet zo eenvoudig in zijn werk was gegaan. De heer Ehrhardt, eveneens uitweidende over hetzelfde onderwerp, vertelde me nog andere verrassende historische zogenaamde ‘feiten’ en een andere man, die Henff-stängels assistent scheen te zijn, Rosenberg genaamd, wat volgens zijn verzekering geen joodse naam was, voegde daar zulke uitgezochte staaltjes aan toe als ware onder de aartsmisdadigers, namelijk onder de regeerders, paus Alexander de Zesde een jood en keizer Wilhelm de Tweede ook met joods bloed in zijn aderen, evenals koning Edward de Zevende van Engeland. Op de bewering dat koning Edward een jood was, kon ik een kreet van verwondering niet weerhouden, doch Rosenberg verzekerde het nogmaals. Had ik dan nooit gehoord dat koningin Victoria in zeer intieme verhouding had gestaan tot een joodse hofarts, Wolff genaamd? Ik moest ontkennen dat ik ooit één woord ten nadele van deze dame had gehoord, zelfs niet in haar verhouding tot Disraeli. Ah! Disraeli! Wist ik dan niet dat hij een jood was? Ik erkende dat ik dat wel eens gehoord had. (Wat zou Ford van ons gesprek genoten hebben!)

Behalve zijn strijdkreet: ‘Weg met de joden!’ heeft Hitler nog een tweede leus: ‘Weg met de communisten!’ Toch brengt een nauwkeurige lezing van het merkwaardige document dat hij het programma zijner partij noemt, het hoogst verbazende feit aan de dag dat hij de meeste communistische eisen van Sovjet-Rusland heeft gestolen. Een paar voorbeelden laat ik hier volgen:

Art. 10. De eerste plicht van iedere burger moet zijn ‘werken’. Het beroep van de persoon mag niet in strijd zijn met de belangen der gemeenschap, doch moet in overeenstemming zijn met en tot heil van het algemeen; daarom vragen wij:

Art. 11. Het afschaffen van onverdiende inkomsten. Het afschaffen van te hoge renten.

Art. 12. Met het oog op de kolossale offers van bloed en materiaal, welke iedere oorlog van het mensdom eist, moet het maken van oorlogswinst worden beschouwd als een misdaad tegen de natie. Daarom eisen wij de confiscatie van alle oorlogswinst.

Art. 13. Wij eisen de nationalisatie van alle vennootschappen.

Art. 14. Wij eisen aandeel in de winst van alle grote ondernemingen.

Art. 22. Wij eisen het afschaffen van huurtroepen en de formatie van een leger van burgers.

Art. 25. Wij eisen het welzijn van de gemeenschap vóór het persoonlijke welzijn en om dit te bereiken eisen wij het formeren van een sterke centrale macht met onvoorwaardelijke invloed en de formering van arbeidsraden.

Het document is vol van nog andere grootmoedige generalisaties en vele antisemitische wetten. Het is een opeenhoping van inconsequenties en oppervlakkigheden, slechts geschreven om indruk te maken op de lagere intellecten.

Het is niet gemakkelijk bij benadering Hitlers positie in Duitsland vast te stellen, waar op het ogenblik zovele partijen strijden om invloed te verkrijgen op een verhongerend en wanhopend volk. In Berlijn waar een bevel tot zijn inhechtenisneming is uitgevaardigd en waar zijn invloed niet wordt gevoeld, noemt men Hitler een demagoog, een waanzinnige, een onschadelijke politicus, wiens doel het is haat op te wekken als een zeker en gemakkelijk middel om een grote aanhang te verkrijgen. Men spot daar met hem.

Aan de andere kant wordt hij in Beieren en Zuid-Duitsland, waar het hem gelukt is een aanhang te verwerven van ongeveer vierhonderdduizend man sterk, door velen gevreesd, door anderen weer verafschuwd als een opruier en iemand die van de gelegenheid gebruik maakt, en neemt men hem meer au serieux dan ergens anders.

Het enige belangrijke in zijn partij is dat zij de enige goed bewapende en geoefende politieke partij is. Deze militaire organisatie is Hitlers grootste kracht. Op het moment blijkt hij op politiek gebied weinig of geen invloed te hebben. Het is misschien van gewicht dat toen Dr. Von Kahr, de nieuwe militaire dictator in Beieren, zijn ambt aanvaardde, het een van zijn eerste daden was alle leiders van de verschillende politieke partijen bij elkaar te roepen, met het doel zijn staatkundige inzichten uiteen te zetten en hun medewerking te verzoeken. Hitlers partij werd genegeerd en Hitler werd niet verzocht de bijeenkomst bij te wonen. Hitler zei dat dit gebeurde omdat Dr. Von Kahr wel wist waar hij, Hitler, stond.

Het verbieden van Hitlers bijeenkomsten werd algemeen beschouwd als een maatregel van orde zonder enige politieke betekenis, waarbij Hitler en de zijnen als rustverstoorders werden aangemerkt. Toch is er een geweldige macht in de krachtige militaire beweging die hij heeft samengesteld.

Er wordt beweerd dat, wan

De ‘Swastika’, de Duitse ‘Ku Klux Klan’ De Groene publiceerde op 20 oktober 1923 een met Hitlers beeltenis opgesierd artikel over de ultranationalistische, militaristische en extreem antisemitische ‘Hakenkruisbeweging’ dat werd geschreven door de joods-Amerikaanse journaliste Lily Winner. Lily Winner 20 oktober 1923 Cadeau geven Delen Cadeau geven Door iedereen te lezen Regulier delen Door abonnees te lezen Geef 30 dagen gratis toegang tot het artikel. U kunt deze maand nog 5 artikelen weggeven. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Attendeer een Groene-abonnee op dit artikel. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Meer informatie over het delen van artikelen Hoe werkt het delen van artikelen? Artikel cadeau geven Als Groene-abonnee kunt u elke maand 5 artikelen weggeven. Het geschonken artikel is 30 dagen onbeperkt te lezen door de ontvanger(s), met of zonder abonnement. Aan het begin van elke maand kunt u weer 5 artikelen weggeven. Regulier delen Het artikel kan door andere abonnees van De Groene Amsterdammer worden gelezen. Mensen zonder abonnement kunnen het artikel wellicht ook lezen, maar dit is vanwege onze betaalmuur niet gegarandeerd. Terug Leeslijst NSDAP meeting, Bürgerbräukeller München, 1923 © Bundesarchiv In het katholieke Beieren is een beweging ontstaan die verwant schijnt aan de Ku Klux Klan in de Verenigde Staten, met dit verschil dat alle verbittering en haat, hoofdzakelijk van katholieke, maar ook van protestantse zijde geconcentreerd is tegen de joden. De naam der beweging is ‘Haken Kruis’, met de ‘Swastika’ als symbool. Zij heeft een uitgesproken militaristische organisatie, goed bewapend, met een speciaal goed geoefend ‘Stormtroepen’-corps, onder leiding van de onbetrouwbare dwaas Adolf Hitler. De naam ‘Haken Kruis’ is een soort van lieflijke benaming voor de werkelijke organisatie, officieel bekend als de ‘Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij’. Ik bracht het grootste gedeelte van vier dagen in haar hoofdkwartier door, waar ik kennis maakte met de leiders der beweging, me op de hoogte stelde van hun plannen, programma enz. en het ten slotte zo ver wist te brengen dat mij een onderhoud met Hitler zelf werd toegestaan. Het was een tijd van grote opwinding, daar Dr. Von Kahr juist militair dictator van Beieren was geworden en een van zijn eerste verordeningen was het verbieden van Hitlers bijeenkomsten. Dat Hitler zijn partij een ‘Socialistische Arbeiderspartij’ noemt, is al heel dwaas. De partij is evenmin socialistisch als dat ze uit arbeiders bestaat. Haar leden zijn hoofdzakelijk oorlogszuchtige jongens, onontwikkelde knapen, zeer ontvankelijk voor een aanhitsing tot rassenhaat, en die noch analyseren noch begrijpen wat er verstaan wordt onder politiek of staatkunde. Behalve Hitler zag ik slechts één volwassen man in uniform en deze bleek geestelijk al even onrijp als de jongeren. Deze man, een lang en mager individu van ongeveer 35 jaar, met een ingevallen gezicht en een ongemakkelijk humeur, Fritz Henffstängel genaamd, laat zich erop voorstaan dat hij twintig jaar in de Verenigde Staten heeft doorgebracht. Mijn vragen brachten de merkwaardige feiten aan het licht dat hij een vroegere bewoner was van het dorp Greenwich bij New York en tijdens de Wereldoorlog door de ‘Alien Property Custodian’ uit zijn zaak in kunstvoorwerpen was gezet. Hij is Hitlers rechterhand. Toen ik met verschillende dagbladcorrespondenten hierover sprak vertelden ze mij dat zijn beweringen en verhalen niet altijd klopten. Hij zegt dat hij een graad heeft behaald aan de Harvard University in Massachusetts en dat hij voetballer is. Hij vertelde mij, op mijn vraag of hij had mee gespeeld in een van de elftallen van Harvard, dat hij veel geroeid had. Ik maakte hem duidelijk dat ik begrepen had dat het speciaal de voetbalsport was waarin hij belang stelde, maar dat ontkende hij en hij beweerde dat hij, omdat hij piano speelde, geen enkel ruw spel durfde spe
·groene.nl·
Op bezoek in het hoofdkwartier van de nazi’s (1923)
Wij vrouwen zijn allemaal Uncle Toms
Wij vrouwen zijn allemaal Uncle Toms

De grote winst gaat toch naar de man Na het geruchtmakende artikel ‘Het onbehagen bij de vrouw’, begon de feministische beweging zich in hoog tempo te organiseren. Historicus Annie Romein-Verschoor constateert een jaar later echter dat de verbetering in de rechtspositie van de vrouw niet automatisch heeft geleid tot meer vrijheid.

Annie Romein-Verschoor

25 december 1968

Cadeau geven

Delen

Leeslijst

Gelijk werk, gelijk loon © Nationaal Archief Wie in een willekeurig gezelschap het woord ‘vrouwenemancipatie’ laat vallen, kan in het algemeen op twee reacties rekenen: de lachende, van ironische verbazing tot de vrije-vrouwen-grol én de kribbige: zijn we daar nu eindelijk niet over uitgepraat, na honderd jaar emancipatie is de vrouw nu toch waarachtig wel… Maar honderd jaar is een korte periode voor het uitwissen van een zo ingesleten maatschappelijk patroon. De neger-emancipatie dateert ook van zo’n honderd jaar terug en die van de joden kan men gevoeglijk bij de Franse Revolutie laten beginnen en toch… De vrouw had bovendien de zware handicap dat zij haar vrijheid moest veroveren op wie haar het meest dierbaar waren: op man en kind, en werd daardoor gauw wat belachelijk in haar ‘strijd’. Zij is blijvend in de positie van de brave negerslaaf, die zo aan zijn goede baas gehecht is. Wij vrouwen zijn allemaal Uncle Toms.

Pas in de laatste jaren begint het besef te groeien dat er een frustratie in de vrouwenbevrijding is opgetreden, een tegenstroming, voortgaande veroveringen: de groei van het kiesrecht en de coëducatie, het voorzichtig open-stellen van lang gesloten beroepen en functies, een ruimere bewegingsvrijheid en het sportieve en kameraadschappelijk contact van man en vrouw. Toch is die tegenstroming niet nieuw: omstreeks het einde van de Eerste Wereldoorlog herleeft in een wat zachtzinniger en nog meer irrationele vorm het oude agressieve verzet tegen de eerste golf van de vrouwenemancipatie op het eind van de vorige eeuw. Die eerste golf had min of meer parallel gelopen met wat we nu de eerste seksuele revolutie zijn gaan noemen en de bestrijders van beide bewegingen hebben alles gedaan om de een met de andere zwart te maken: vrije vrouwen waren zedelijk losbandige schepsels en seksuele hervorming tastte het van God gegeven gezag des mans aan.

En ook de reactie loopt parallel: gelijk op met de publicatie van een reeks van geschriften over de ware aard van de vrouw, die zich verzet tegen de haar door het rationalisme opgedrongen emancipatie, die zij niet nodig heeft voor haar Geluk, vertoont zich een terugslag op de seksuele revolutie, die bijvoorbeeld duidelijk naar voren komt in de kuisheidskruistocht van katholieke organisaties als De Graal. Na de Tweede Wereldoorlog is van die dubbelstroom: de seksuele en de vrouwenbevrijding, de eerste weer met groot geweld boven de grond gekomen. Pas in het laatste decennium begint men zich ook zorgen te maken over ‘de frustratie van de vrouwenemancipatie’ en naar de oorzaken daarvan te vragen. In haar boek The Feminine Mystique heeft Betty Friedan uitvoerig uit de doeken gedaan hoe sterk de contra-emancipatorische stroming in de VS geworden is uit welhaast onuitroeibaar conservatisme van man én vrouw, uit gemakzucht van de vrouw in de welvaartsstaat en onder de sterk stroomlijnend werkende invloed van het reclamewezen, dat meer kan verkopen aan nestjebouwende en ‘leisured’ vrouwen dan aan werkende. Zij analyseerde daarbij uitvoerig de rol die de bijna uitsluitend door mannen geredigeerde damesbladen in dat terugdringingsproces spelen.

Onlangs had ik een gesprek met een uitgever – als je schrijft is dat af en toe niet te voorkomen – die me enthousiast de lof zong van de geheel vernieuwde, moderne vrouwenbladen en me wilde suggereren dat mijn blauwkousen-weerzin daartegen – zo formuleerde hij het natuurlijk niet! – zich richtte op een verouderd type: het gezellige mode-, kook- en handwerkblaadje inclusief adviezen in pedagogische en amoureuze perikelen voor moeder-de-vrouw en haar dochter. Ik begreep wel wat hij bedoelde, maar ik bleef beleefd. Misschien neemt hij deel aan de uitgave ervan, want je weet met die concentratie nooit meer wie wat uitgeeft. Hij doelde op die bladen die steunend op de adviezen van commercieel ingestelde dieptepsychologen of wat zich daarvoor uitgeeft de ‘moderne’ vrouw als een object trachten te bespelen. Naar dat laatste streefden de oude damesbladen natuurlijk ook wel, maar op grond van een zóveel simpeler ontworpen image van ‘de’ vrouw, dat hun altijd nog respectabele abonneelijst een potentieel groeiende (?) groep uitsloot die niet als Libelle-publiek gediskwalificeerd wenste te worden. Op die laatste, meer sophisticated groep mikken de ‘moderne vrouwenbladen’, juweeltjes van druk en lay-out waarin de moderne vrouw alles kan vinden over hoe ze in de welvaartsstaat aangenaam kan leven – of doen alsof – en meepraten, hoe ze zich moet kleden in huis, in de schouwburg, op reis, pour le ski en après ski, in het bad en in het bed niet te vergeten, hoe ze moet koken of tenminste over koken praten, niet meer volgens de degelijke kookboeken van de Amsterdamse huishoudschool, maar volgens de meest uitheemse en exotische, dure en bewerkelijke recepten, hoe ze haar huis, haar tweede huis, haar jacht moet inrichten naar het voorbeeld van filmsterren, alles geïllustreerd met de allerknapste, overdonderende kleurenfoto’s van schotels als stillevens en interieurs waartegen je oh! zegt maar waarin je geen kinderen kunt loslaten. Het blad vertelt haar wat ze moet weten over psychedelische kunst en homoseksualiteit, over de Beatles en hun concurrenten, over Mao en Fidel Castro of laat haar door een buitenlandse beroemdheid uitleggen ‘wat de moderne vrouw moet weten over Zen-boeddhisme’. Natuurlijk wordt ze verondersteld volkomen vrij te staan tegenover alle seksuele en andere taboes – een moeilijk punt van concurrentie voor de oude, bleek-katholiek gekleurde damesbladen, die op dit terrein slechts schoorvoetend kunnen volgen.

Je moet zoveel van die bladen en van de psychologen die achter de samenstelling van de bedrieglijk en storend in elkaar overlopende redactionele en advertentiebladzijden staan en waarover al in ’57 Vance Packard met zijn Hidden Persuaders een boekje heeft opengedaan. Op mijn leeftijd word je daar moe van en kijk en luister je met enige verbazing naar al die moderne jonge vrouwen, die de emancipatie al zo lang achter zich hebben, maar die even volgzaam tegenover dit conformisme-van-het-non-conformisme staan als de jonge dames van een eeuw geleden tegenover de goede zeden en het maintien.

Er is terecht op gewezen dat die verondersteld sekseloze wezentjes van de Victoriaanse periode feitelijk in een voortdurende erotische spanning leefden en hun manlijke partners ook voor zover ze die niet in de prostitutie konden laten afvloeien. In die zin hebben beide seksuele revoluties in hoge mate bevrijdend gewerkt. Maar ik vraag me af: maakt het vrouwenbeeld, zoals ons dat in de moderne vrouwenbladen én op de televisie wordt voorgezet zo’n bevrijde indruk; een vrouw die in ieder gebaar, in iedere houding, bij ieder kledingstuk dat ze bekijkt, aantrekt of laat vallen gepreoccupeerd is met haar sex-appeal? En wanneer men daarbij bedenkt dat we, oh! zeker, geen koophuwelijk meer kennen, maar dat nog altijd zeg acht van de tien vrouwen door een huwelijk aan welstand en status winnen en dat sex-appeal als huwelijkskatalysator mag gelden, hoe zit het dan met die vrijheid?

Willem Nagel schreef onlangs in een beschouwing over pornografie ongeveer het volgende: ‘Waarvoor heb ik mijn zinnen, als het niet was om ze te laten prikkelen?’ Akkoord, maar moeten we alsjeblieft niet altijd? Er zijn reeksen Victoriaanse voorbeelden aan te voeren van de levensverwoestende uitwerking van de onderdrukking van seksuele prikkels. Maar zou het geen zin hebben ons eens even los te maken van het nog altijd met zoveel entrain gevoerde achterhoedegevecht met de heer Van Dis daarover om ons te bezinnen op de vraag naar de uitwerking van een door de Hidden Persuaders opgedreven over-prikkeling. Wat heeft dit te maken met de gefrustreerde vrouwenemancipatie? Het geëmancipeerd optreden van vrouwen heeft altijd schade gedaan en is altijd geschaad door het samengaan met andere bevrijdingsbewegingen. Hierboven noemden we al de wederzijdse schade bij de (behoudende) publieke opinie, die de seksuele en de vrouwenbevrijding van omstreeks 1900 elkaar aandeden. Hetzelfde geldt van het optreden van de vrouwen in de Franse Revolutie en in de Commune. De mens is wel veranderd sedert de Neanderthaler, maar het gaat langzaam. En dus krijgen we van de beroemde socioloog Raymond Aron, eens communistisch, maar langzamerhand zeer conservatief vergrijsd, dezelfde roddel te horen over de vrouwen, die in het voorjaar aan het verzet der Franse studenten, de ‘enragés’, deelnamen. Het waren ‘filles folles de leur corps’, schreef de nog altijd goede stilist. Men kan natuurlijk met even veel recht zeggen dat die parallel lopende bewegingen elkaar steunden. Het waren bijvoorbeeld sommige van de ‘vrije vrouwen’ van de 1900-periode die het taboe van het onverbrekelijk wettig huwelijk durfden aantasten en hun vrije huwelijksverbintenis openlijk per advertentie aankondigden. En de sit-in-stakers in de Sorbonne zullen zich ongetwijfeld gesteund gevoeld hebben door hun vrouwelijke collega’s, die in deze onderneming ook een stuk van haar eigen onafhankelijkheid bevestigden. Maar wie in onze tijd om zich heen en naar de tv en in onze geïllustreerde welvaartsstaat-pers kijkt, moet er zich van bewust worden dat één van de factoren die de emancipatie frustreert, verborgen zit in de ‘tweede seksuele revolutie’ en in het misbruik dat de Hidden Persuaders daarvan maken. Immers, omdat de emancipatie nog lang niet voltooid en eigenlijk in het zand gelopen was, toen die revolutie inzette, gaat de grote winst ervan in onze nog altijd op manlijke sex geconditioneerde maatschappij naar de man. Om het scherp te s

De grote winst gaat toch naar de man Na het geruchtmakende artikel ‘Het onbehagen bij de vrouw’, begon de feministische beweging zich in hoog tempo te organiseren. Historicus Annie Romein-Verschoor constateert een jaar later echter dat de verbetering in de rechtspositie van de vrouw niet automatisch heeft geleid tot meer vrijheid. Annie Romein-Verschoor 25 december 1968 Cadeau geven Delen Cadeau geven Door iedereen te lezen Regulier delen Door abonnees te lezen Geef 30 dagen gratis toegang tot het artikel. U kunt deze maand nog 5 artikelen weggeven. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Attendeer een Groene-abonnee op dit artikel. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Meer informatie over het delen van artikelen Hoe werkt het delen van artikelen? Artikel cadeau geven Als Groene-abonnee kunt u elke maand 5 artikelen weggeven. Het geschonken artikel is 30 dagen onbeperkt te lezen door de ontvanger(s), met of zonder abonnement. Aan het begin van elke maand kunt u weer 5 artikelen weggeven. Regulier delen Het artikel kan door andere abonnees van De Groene Amsterdammer worden gelezen. Mensen zonder abonnement kunnen het artikel wellicht ook lezen, maar dit is vanwege onze betaalmuur niet gegarandeerd. Terug Leeslijst Gelijk werk, gelijk loon © Nationaal Archief Wie in een willekeurig gezelschap het woord ‘vrouwenemancipatie’ laat vallen, kan in het algemeen op twee reacties rekenen: de lachende, van ironische verbazing tot de vrije-vrouwen-grol én de kribbige: zijn we daar nu eindelijk niet over uitgepraat, na honderd jaar emancipatie is de vrouw nu toch waarachtig wel… Maar honderd jaar is een korte periode voor het uitwissen van een zo ingesleten maatschappelijk patroon. De neger-emancipatie dateert ook van zo’n honderd jaar terug en die van de joden kan men gevoeglijk bij de Franse Revolutie laten beginnen en toch… De vrouw had bovendien de zware handicap dat zij haar vrijheid moest veroveren op wie haar het meest dierbaar waren: op man en kind, en werd daardoor gauw wat belachelijk in haar ‘strijd’. Zij is blijvend in de positie van de brave negerslaaf, die zo aan zijn goede baas gehecht is. Wij vrouwen zijn allemaal Uncle Toms. Pas in de laatste jaren begint het besef te groeien dat er een frustratie in de vrouwenbevrijding is opgetreden, een tegenstroming, voortgaande veroveringen: de groei van het kiesrecht en de coëducatie, het voorzichtig open-stellen van lang gesloten beroepen en functies, een ruimere bewegingsvrijheid en het sportieve en kameraadschappelijk contact van man en vrouw. Toch is die tegenstroming niet nieuw: omstreeks het einde van de Eerste Wereldoorlog herleeft in een wat zachtzinniger en nog meer irrationele vorm het oude agressieve verzet tegen de eerste golf van de vrouwenemancipatie op het eind van de vorige eeuw. Die eerste golf had min of meer parallel gelopen met wat we nu de eerste seksuele revolutie zijn gaan noemen en de bestrijders van beide bewegingen hebben alles gedaan om de een met de andere zwart te maken: vrije vrouwen waren zedelijk losbandige schepsels en seksuele hervorming tastte het van God gegeven gezag des mans aan. En ook de reactie loopt parallel: gelijk op met de publicatie van een reeks van geschriften over de ware aard van de vrouw, die zich verzet tegen de haar door het rationalisme opgedrongen emancipatie, die zij niet nodig heeft voor haar Geluk, vertoont zich een terugslag op de seksuele revolutie, die bijvoorbeeld duidelijk naar voren komt in de kuisheidskruistocht van katholieke organisaties als De Graal. Na de Tweede Wereldoorlog is van die dubbelstroom: de seksuele en de vrouwenbevrijding, de eerste weer met groot geweld boven de grond gekomen. Pas in het laatste decennium begint men zich ook zorgen te maken over ‘de frustratie van de vrouwenemancipatie’ en naar de oorzaken daarvan te vragen. In haar boek The Feminine Mystique heeft Betty Friedan uitvoerig uit
·groene.nl·
Wij vrouwen zijn allemaal Uncle Toms
Met een eerbiedige groet van Sigmund Freud
Met een eerbiedige groet van Sigmund Freud

Klassieken Het verraad van Duitse intellectuelen en de onrechtmatige inval in België Offener Brief an unsere deutschen Freunde Voor Frederik van Eeden komt de Eerste Wereldoorlog als een enorme schok. De Groene publiceert een open brief waarin hij de drogredenen fileert waarmee de Duitsers schendingen van het volkenrecht motiveren. De Groene begint een rubriek waarin internationaal bekende figuren hun standpunt over de oorlog uiteenzetten. Ook Sigmund Freud levert een bijdrage. Hij stelt dat de oorlog bewijst hoezeer de psychoanalyse het bij het rechte eind heeft.

Frederik van Eeden en Sigmund Freud

6 september 1914

Cadeau geven

Delen

Leeslijst

Sigmund Freud in 1909 © Library of Congress Jedoch der schrecklichste der Schrecken Das ist der Mensch in seinem Wahn. Schiller

Bijna systematisch ontvangen wij Hollanders de afgelopen weken briefkaarten uit uw land, die de bedoeling hebben ons, uw vrienden, een indruk te geven die zich laat samenvatten in de woorden: ‘God zij dank, wij Duitsers hebben een schoon geweten.’ Wij Hollanders kunnen die post natuurlijk niet allemaal beantwoorden, en we doen dat ook niet graag; het is altijd pijnlijk om mensen die in een waan zijn, uit die waan te halen. Maar zoals wij, Hollanders en Duitsers, voor en tijdens de Boerenoorlog niet hebben nagelaten de Engelsen de spiegel der grove waarheid voor te houden, zo is het toch ook nu onze heilige plicht onze Duitse vrienden niet de indruk te laten houden dat hun verontschuldigingscampagne echt zo succesvol is geweest als tot nu toe de campagne van hun leger was, en dat hun motieven net zo goed werken als hun kanonnen. In het gevecht om de morele zege wordt met andere wapens gestreden; hoe wij, die niet in een of andere waan zijn, de situatie moeten zien, moet daarom in het hierna volgende betoog worden getoond.

In een tijd van zoveel vijandschap tussen volken die sympathiek tegenover elkaar horen te staan, is het natuurlijk dubbel prettig om ook eens hartelijk te horen spreken over vriendschap. En dus doet het ons Hollanders werkelijk goed om nu uit Duitsland van alle kanten plechtige verklaringen te ontvangen: ‘De Hollanders, dat zijn onze vrienden!’

En dat is ook zo. Wij zijn goed met de Duitsers, net zoals we dat met de Belgen, de Engelsen en de Fransen zijn. We hebben veel persoonlijke vrienden hier, zoals we die daar en overal hebben, en van het beste van alle cultuur genieten wij graag mee. Ook is het in een tijd waarin macht boven alles gaat, en Duitsland opnieuw een sterke geweldsstaat blijkt te zijn, voor ons, die nu eenmaal niet zo sterk zijn als Duitsland, altijd aangenaam uit de klauwen van deze geweldsstaat te blijven. Alleen hopen wij dat de Duitse liefde voor ons niet al te zeer als de apenliefde blijkt te zijn: om te worden doodgedrukt in uw liefhebbende armen zouden wij niet heel erg fijn vinden.

Maar in die verklaring van Duitse onzelfzuchtige welwillendheid jegens ons ligt tegelijkertijd een tegenstelling verborgen – ook wel uitgesproken. ‘Ze zijn onze vrienden, aangezien ze neutraal blijven.’ En dan wordt op de Belgen gescholden, die tegen Duitsland vechten.

Ik wil nu graag even blijven bij de verhouding tussen Duitsland en België. Want raar genoeg staat het daarmee zo dat datgene wat de Duitsers en Hollanders als een deugd beschouwen in jullie ogen, respectievelijk de ogen van de Belgen, geldt als een euveldaad, namelijk: ‘Handhaving van de neutraliteit.’ De Belgen zijn toch net zo braaf als wij. Ze wilden neutraal zijn, en blijven, en zich verdedigen tegen de aanval op hun neutraliteit – zoals het de plicht is en zoals we het altijd nog zouden doen – met alle kracht die ze hebben om zich te verdedigen. En zoals ook de Duitsers heel goed weten: dat was niet een oorlogsdaad; het is ook geen aanleiding voor oorlog.

Dat leert het internationale recht ons tenminste, waarvan men zich toch ook in Duitsland bedient. De Belgen wilden dus alleen maar met rust worden gelaten – net als wij. Nu was dat te hinderlijk voor de Duitse oorlogsbelangen. We weten dat we er verkeerd aan doen, zei de Duitse Rijkskanselier, ‘maar we kunnen er niet onderuit. En wanneer België ons maar onze gang laat gaan, dan willen we het op zeer vriendschappelijke wijze later schadeloos stellen.’

Ja, maar. De Duitse Rijkskanselier en de Duitse natie zijn toch niet zó erg naïef geworden: dat de Duitse oorlogsleiding haar ‘Het moet’ had uitgesproken, betekende toch niet dat voor België de zaak ten einde was? Het had aan de zuidkant ook Frankrijk nog. En als het Duitsland de toegang zou hebben verleend, dan had Frankrijk nu het recht gehad dat als een aanleiding te beschouwen voor oorlog. Of-of. Een volk behoudt zijn neutraliteit naar alle richtingen, of het behoudt die absoluut niet. Wij Hollanders ervaren weer duidelijk genoeg hoe elke partij op ons loert en in de gaten houdt of we ook zelfs niet het allergeringste voordeel bieden aan de ene of de andere van de oorlogvoerende partijen. Dus: België moest het voorstel van Duitsland afwijzen. En wel met wapens. Desondanks beklaagt Duitsland zich erover…

Wij Hollanders kunnen in de onszelf opgelegde neutraliteit de verdere vragen nu niet behandelen. Maar vraag aan uw professoren die het internationale recht beoefenen wat Duitsland ten tijde van de tweede vredesconferentie in Den Haag met betrekking tot de oorlogvoering mede ondertekend heeft; denk toch weer eens aan alles wat jullie in Duitsland doorleefd, gezegd en geschreven hebben ten tijde van de Boerenoorlog, en vervang Transvaal door België, en Engeland door Duitsland, lees de Wilhelm Tell nog een keer en stel u voor dat Zwitserland België is.

En neem ten slotte nauwkeurig kennis van alles wat in naam van het grote Duitse volk België en de Belgen is aangedaan. Lees de zeer voorzichtige brieven van onze correspondenten in België, die jullie land zeer bewonderen. Zo zullen jullie je zelf een voorstelling kunnen maken van de geweldige schadeloosstelling die de cultuurstaat Duitsland verschuldigd is aan het zwaar getroffen Belgische volk voor wat de geweldsstaat Duitsland het heeft doen ondergaan. En betaal deze schuld zo spoedig als mogelijk. Jullie grote Goethe heeft tenslotte al gewaarschuwd: ‘Denn alle Schuld rächt sich auf Erden.’ U wilt toch allemaal zien dat uw grote Duitsland niet alleen als geweldsstaat wordt gevreesd, maar vooral ook als rechts- en cultuurstaat wordt geprezen?

Het Belgische volk wordt dus bedreigd wanneer het niet zijn neutraliteit en eer wil schenden, en een leger valt het land binnen. Moeten de Belgen dan niet verontwaardigd, niet woedend zijn over die gewelddaad? De Belgen ontdekken bovendien, of denken te ontdekken – wie vergeeft het een volk dat plotseling wordt overvallen niet wanneer het zich vergist? – dat vele Duitsers die jarenlang van de Belgische gastvrijheid hebben genoten, tegen België spioneerden voor Duitsland, en nog steeds spioneren! Op spionnen zijn jullie Duitsers toch ook niet echt gesteld? En de Belgen hadden zich dan over zo’n inbreuk op de gastvrijheid niet druk moeten maken? Gepeupel heb je overal, en is nergens op de ‘hoogte van de cultuur’, daar is het… gepeupel voor; en het vervalt gemakkelijk in excessen, waar het dan voor wordt bestraft. Zo is het in Duitsland, en zo is het in België gegaan. En wat de Duitsers, onder deze omstandigheden, in België te lijden hadden, dat hebben wij Hollanders, de verwanten der Belgen, al weer geprobeerd goed te maken, en dat hebben de Duitsers in de Belgische dorpen daarenboven al meer dan gewroken. De Belgische boeren hebben zich, als franc-tireurs voor het vaderland strijdend, misschien onvolkenrechtmatig gedragen. Maar uw geachte Rijkskanselier had nota bene erkend dat het Duitse leger ook, onvolkenrechtmatig, het neutrale land was binnengedrongen!

Hoe u het ook moge draaien… U bent met het onrecht begonnen. En die schuld zou betaald moeten worden. Maar u wilt België dubbel laten betalen! Dat kunt u ondanks duizend spitsvondigheden nooit in overeenstemming brengen met uw geweten, zodra dat zich weer laat horen. En niet met het geweten van de wereld.

En daar komt zelfs het volgende bericht: Leuven, dat prachtige Leuven is verwoest, en de bevolking afgeslacht of afgevoerd. Verwoest door het Duitse leger, dat nota bene de cultuur tegen de Russische barbarij moet verdedigen! Lieve goede Duitse vrienden, wij wenen om dat wonderschone Leuven, wij wenen om de Belgen, maar nog meer wenen we om jullie. Wanneer nu de Russen in Noordoost-Duitsland stad na stad en boer na boer zouden wreken – dat zou voor de gehele beschaafde wereld afschuwelijk zijn, en de gedachte alleen doet ons al sidderen – maar, wat zouden jullie kunnen zeggen?

Het komt allemaal doordat jullie – zoals jullie Rijkskanselier het heeft bevestigd – België binnengevallen zijn en het woord en het recht hebben geschonden. Zo hebben jullie de vloek over je afgeroepen waarmee jullie grote Schiller al dreigde:

‘Das eben ist der Fluch der bösen Tat, dass sie fortzeugend Böses muss -gebären.’

Wenen, 28 december 1914

Aan de heer dr. Fr. van Eeden

Geachte collega,

Onder invloed van deze oorlog waag ik het u te herinneren aan twee stellingen die de psychoanalyse heeft voortgebracht, en die er zonder twijfel aan hebben bijgedragen dat ze bij het publiek ongeliefd is geworden.

Zij – de psychoanalyse – heeft uit de dromen en onbewust verkeerde handelingen van gezonde mensen en uit de symptomen van nerveuze mensen geconcludeerd dat de primitieve, wilde en kwaadaardige impulsen van de mensheid bij geen enkeling zijn verdwenen, doch nog voortbestaan ofschoon verdrongen, in het onbewuste, zoals wij in onze kunsttaal zeggen, en op een aanleiding wachten om zich weer te manifesteren. Ze heeft ons verder geleerd dat ons intellect een zwak en afhankelijk ding is, een speelbal en werktuig van onze driften en hartstochten, dat we ons allemaal scherpzinnig of zwakzinnig moeten gedragen, al naar gelang onze instellingen en innerlijke weerstanden gebieden.

En nu kijkt u naar de gebeurtenissen van deze oorl

Klassieken Het verraad van Duitse intellectuelen en de onrechtmatige inval in België Offener Brief an unsere deutschen Freunde Voor Frederik van Eeden komt de Eerste Wereldoorlog als een enorme schok. De Groene publiceert een open brief waarin hij de drogredenen fileert waarmee de Duitsers schendingen van het volkenrecht motiveren. De Groene begint een rubriek waarin internationaal bekende figuren hun standpunt over de oorlog uiteenzetten. Ook Sigmund Freud levert een bijdrage. Hij stelt dat de oorlog bewijst hoezeer de psychoanalyse het bij het rechte eind heeft. Frederik van Eeden en Sigmund Freud 6 september 1914 Cadeau geven Delen Cadeau geven Door iedereen te lezen Regulier delen Door abonnees te lezen Geef 30 dagen gratis toegang tot het artikel. U kunt deze maand nog 5 artikelen weggeven. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Attendeer een Groene-abonnee op dit artikel. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Meer informatie over het delen van artikelen Hoe werkt het delen van artikelen? Artikel cadeau geven Als Groene-abonnee kunt u elke maand 5 artikelen weggeven. Het geschonken artikel is 30 dagen onbeperkt te lezen door de ontvanger(s), met of zonder abonnement. Aan het begin van elke maand kunt u weer 5 artikelen weggeven. Regulier delen Het artikel kan door andere abonnees van De Groene Amsterdammer worden gelezen. Mensen zonder abonnement kunnen het artikel wellicht ook lezen, maar dit is vanwege onze betaalmuur niet gegarandeerd. Terug Leeslijst Sigmund Freud in 1909 © Library of Congress Jedoch der schrecklichste der Schrecken Das ist der Mensch in seinem Wahn. Schiller Bijna systematisch ontvangen wij Hollanders de afgelopen weken briefkaarten uit uw land, die de bedoeling hebben ons, uw vrienden, een indruk te geven die zich laat samenvatten in de woorden: ‘God zij dank, wij Duitsers hebben een schoon geweten.’ Wij Hollanders kunnen die post natuurlijk niet allemaal beantwoorden, en we doen dat ook niet graag; het is altijd pijnlijk om mensen die in een waan zijn, uit die waan te halen. Maar zoals wij, Hollanders en Duitsers, voor en tijdens de Boerenoorlog niet hebben nagelaten de Engelsen de spiegel der grove waarheid voor te houden, zo is het toch ook nu onze heilige plicht onze Duitse vrienden niet de indruk te laten houden dat hun verontschuldigingscampagne echt zo succesvol is geweest als tot nu toe de campagne van hun leger was, en dat hun motieven net zo goed werken als hun kanonnen. In het gevecht om de morele zege wordt met andere wapens gestreden; hoe wij, die niet in een of andere waan zijn, de situatie moeten zien, moet daarom in het hierna volgende betoog worden getoond. In een tijd van zoveel vijandschap tussen volken die sympathiek tegenover elkaar horen te staan, is het natuurlijk dubbel prettig om ook eens hartelijk te horen spreken over vriendschap. En dus doet het ons Hollanders werkelijk goed om nu uit Duitsland van alle kanten plechtige verklaringen te ontvangen: ‘De Hollanders, dat zijn onze vrienden!’ En dat is ook zo. Wij zijn goed met de Duitsers, net zoals we dat met de Belgen, de Engelsen en de Fransen zijn. We hebben veel persoonlijke vrienden hier, zoals we die daar en overal hebben, en van het beste van alle cultuur genieten wij graag mee. Ook is het in een tijd waarin macht boven alles gaat, en Duitsland opnieuw een sterke geweldsstaat blijkt te zijn, voor ons, die nu eenmaal niet zo sterk zijn als Duitsland, altijd aangenaam uit de klauwen van deze geweldsstaat te blijven. Alleen hopen wij dat de Duitse liefde voor ons niet al te zeer als de apenliefde blijkt te zijn: om te worden doodgedrukt in uw liefhebbende armen zouden wij niet heel erg fijn vinden. Maar in die verklaring van Duitse onzelfzuchtige welwillendheid jegens ons ligt tegelijkertijd een tegenstelling verborgen – ook wel uitgesproken. ‘Ze zijn onze vrienden, aangezien ze neutraal blijven.’ En dan wordt op de Belgen gescholden, die tegen Duit
·groene.nl·
Met een eerbiedige groet van Sigmund Freud
In het Noord-Hollandse Blokker zijn The Beatles wat mat en kortaf
In het Noord-Hollandse Blokker zijn The Beatles wat mat en kortaf

Klassieken Blokker, de Beatles en 10.000 dorpsgekken 13 juni 1964 Festival der onschuld Leek in de jaren vijftig de ‘verwildering’ van de jeugd zich nog te beperken tot een handvol ‘nozems’, ‘pleiners en dijkers’ en ‘rock-’n-rollers’, na 1960 was het hek van de dam. De 22-jarige sociologiestudent Abram de Swaan bezoekt het legendarisch geworden Beatles-concert in Blokker. Hij probeert erachter te komen wat de Beatles-hysterie te maken heeft met wat ‘het jeugdprobleem’ genoemd werd door de oudere generatie.

Abram de Swaan

13 juni 1964

Cadeau geven

Delen

Leeslijst

© Cas Oorthuys Dat waren de Beatles. En voorlopig blijft het daarbij, want zelfs onder de uiterst modegevoelige tieners kost het enige tijd om een fenomeen als dat van de Liverpoolse vier op te bouwen. In dit geval heeft de campagne bijna een jaar geduurd, zonder dat manager Brian Epstein daar overigens een cent aan gespendeerd heeft. Om een geheimzinnige reden waren de Beatles opeens nieuws en door een achteraf begrijpelijke oorzaak zijn ze het gebleven. In deze roemzuchtige tijd is publiciteit, gemeten in kolomlengte en zend-seconden, de zekerste maatstaf van aanzien. Ieder publiek persoon weet dan ook dat hij een kans maakt even de aandacht naar zich toe te trekken door zich te associëren met een ander die er overvloed van heeft. Stuk voor stuk refereerden alle Engelsen beroemdheden aan de Beatles, tot Prins Philip en Lord Home toe, die daarmee tevens te kennen gaven dat ze, hoewel behorend tot het Establishment, in het nieuwe heel wel het goede wisten te onderscheiden. Bij ons kwam Wim Kan voor het eerst sinds lange tijd weer op de voorpagina’s door een snedigheidje over de Beatles te debiteren. Zo’n situatie is voor de public-relations man volstrekt ideaal; dat zelfs de concurrentie je onder de aandacht brengt. Alleen zelf geld mogen drukken is winstgevender. Brian Epstein heeft zich in deze positie weten te manoeuvreren; achteraf is duidelijk dat daarbij één van zijn foefjes is geweest zijn viertal te presenteren als de goede keerzijde van het ‘jeugdprobleem’, als de vrolijke, eerlijke jongens, die verdraaid goed weten dat een gulden een gulden is en dat je met zingen en dansen alleen er niet komt, dat het huwelijk de bestendiging der jeugdliefde is en dat je met schone nagels beter gitaar speelt dan met vuile.

Die tactiek heeft hem onder de jeugd geen aanhang gekost, want de meeste tieners vinden dat ook, alleen hun ouders hebben dat niet zo gauw door. Maar wie in de Beatles bedervers van het jongelingschap ziet en dat ook nog hardop zegt, maakt zich nu belachelijk; ‘pop music’ is respectabel, niet omdat de tieners en hun idolen veranderd zijn, maar vooral door het beeld dat het Beatle-apparaat heeft weten op te bouwen.

Er blijft nog wantrouwen te over. Een paar weken geleden werd op een bijeenkomst over de actualiteit van het marxisme nog verkondigd dat de teenager-muziek opium des volks was, het soma, dat de groot-industrie opvoerde aan de arbeidende jeugd om hen van de klassestrijd af te houden, Van een samenzwering van groot-industrie en publiciteitsmedia (Philips + Veronica + Telegraaf?) is geen sprake, maar men kan wel een groot onderling begrip constateren tussen allerlei mensen die hopen een stoot geld te gaan verdienen aan hetzelfde fenomeen. Dat is dan lelijk tegengevallen. Veronica, dat de middagvoorstelling op 6 juni in Blokker uitkocht, bleef met minstens 5000 kaarten zitten. De textielfabriek die Beatle-stoffen uitbrengt, raakt ze aan de straatstenen niet kwijt en heeft er dus de veilinghal te Blokker maar mee gepavoiseerd. De platenverkoop van de Beatles is al lang over het hoogtepunt heen. Dat de kranten er zoveel ruimte voor over hadden, kan vooral verklaard worden uit een voorkeur van verslaggevers voor opwindende gebeurtenissen en van redacteuren voor een ‘lekker stukje’ tussen alle gezapige spijs. Tenslotte konden zelfs Trouw en de ncrv niet achterblijven om althans de indruk te vermijden dat zij de jeugd geen lolletje gunnen.

Maar het ergste moet nog komen, de ingewortelde afkeer van massa’s die een groot deel van de mensheid beheerst sinds de manifestaties in nazi-Duitsland. Elke menigte is in potentie een drom achtervolgers, vernielers en moordenaars, dat heeft de geschiedenis wel geleerd, meent men. Welnu, Blokker leert anders tot nu toe.

Een uur gaans voorbij het propere Hoorn (tweede prijs netheidswedstrijden voor stations, 1963, aldus een oorkonde in de hal), ligt het dorpje Blokker, fruitkweek en veeteelt, overwegend (80 procent) katholiek. Vóór de Boerenpartij van zich deed spreken, werden alle openbare functies tussen kvp en pvda verdeeld. Burgemeester Essing bewaart een plezante rust en beschermt een bloeiend verenigingsleven. Het was zoon Essing, die enkele jaren geleden voor het eerst een jazz-festival organiseerde ten bate van het plaatselijk muziek- en toneelgebeuren en met medewerking van de Coöperatieve, die de veilinghallen beheert. De baten waren groter dan het wantrouwen tegen de stedelingen, die zich bovendien altijd keurig gedroegen en zo ontstond een traditie, die dezer dagen in het optreden van de Beatles in Blokker, een hoogtepunt vond. De hele organisatie van twee voorstellingen voor elk 7500 mensen is in handen van vrijwilligers, leden van verenigingen die gezamenlijk de opbrengst zullen delen, bovendien inwoners van Blokker, dat in het aanzien van het festival deelt. Onbaatzuchtigheid en commercie zijn hecht verweven, een vrijwillige ordebewaker kan opeens woedend tegen zijn dochter uitvallen, die met te weinig animo haar programma’s aan de man brengt. Een andere official heeft zoveel vrije tijd, omdat zijn vrouw ondertussen in de winkel Beatle-shirts tracht te slijten, zonder resultaat overigens, want al gauw blijkt dat de koopkracht van het publiek met reiskosten, entreegelden en een enkele consumptie uitgeput is. De hele sfeer die middag in de voor tweederde lege veilinghal is er overigens een van teleurstelling na de overschatting van het ‘internationale hitwezen’. Het gaat allemaal niet zo hard in Holland. Er zijn wel veel jongelui, maar het zijn niet allemaal teenagers, en bovendien bewaren ze hun verstand en hun zakgeld.

Schreeuwen kost geen geld en dat doet het publiek die middag vanaf het eerste ogenblik. Er is vaak meer belangstelling voor komieken in het gehoor, die buitenmodel kostuums aanhebben, grote prenten van de Beatles omhooghouden of prachtige schud- en spring-bewegingen ten beste geven dan voor de optredenden, die tegen vergoeding van reiskosten en consumpties gratis voor dit omvangrijke publiek en voor de camera’s van alle internationale journaals en persbureaus (music in the polders) trachten hun plaats in de hit-parade te verbeteren. Zelfs snel stijgende idolen als Don Mercedes en zijn Torero’s, of Ciska Peters (‘Don’t press that button, mr. Eeeeh!’, inderdaad that button, waarvan u ook hoopt dat ze afblijven) voelen zich niet te goed om de spreekkoren ‘Bietels, bietels’ te overschreeuwen. Een enkele keer blijkt er opeens een werkelijk talent op de stellage van kistjes te staan, de voortreffelijke Karin Kent bijvoorbeeld, die, piepjong, intelligent genoeg is om haar genre een ietsje te parodiëren en het zo boven zijn onmiddellijke beperkingen uittilt. Het publiek merkt het allemaal niet zo. Groepjes vrienden putten zich uit in het verzinnen van nieuwe grappen om de aandacht van het wereldnieuws op zich te vestigen. Zij stellen zich allemaal voortreffelijk aan. Wie dit voor trance, hysterie of extase verslijt heeft gewoon niet opgelet. Het is allemaal gericht op de anderen, een onschuldige vorm van lol trappen met zijn allen, alleen op een veel artistieker en expressiever manier dan deze woorden in hun gebruikelijke betekenis weergeven. Een uitzondering moet gemaakt worden: sommige meisjes van een jaar of dertien hebben echt alleen maar aandacht voor wat op het podium gebeurt. Zij zitten onafgebroken te staren, zich ongezien wanend als in een bioscoop. Ze kennen de tekst woord voor woord en zingen mee, perfect, ook waar de ritmische figuren, afgezien van het elementaire basis-ritme, heel ingewikkeld zijn. In tegenstelling tot de rest van het publiek dat vooral de genoegens van het samenzijn met gelijkgestemden ondergaat, maken zij de indruk alles om zich heen te vergeten. Kennelijk hebben zij de liedjes al honderden malen beluisterd in afzondering en wat zij nu ondergaan is een verheviging van wat keer op keer in meisjeskamers beleefd werd. Wat dat dan wel is, kan uw verslaggever niet vertellen; dertienjarige meisjes zijn bij uitstek geheimzinnige wezens.

© Cas Oorthuys Essing heeft nu al herhaalde malen gedreigd dat de voorstelling gestopt zal worden als de schudders, springers, draaiers, schreeuwers, stampers, schuivers niet gaan zitten. De waarschuwing wordt goedmoedig opgenomen maar niet opgevolgd. Niemand gelooft erin, daarvoor is de reis te ver geweest en waren de plaatsen te duur (‘schunnig duur’, zei festivalsecretaris, veilingvoorzitter Veldhuis; f 7.50 te uwer informatie). De ongezeglijkheid is geen teken van opstandigheid. Men wil gewoon niet zitten, maar met politie en zaalwacht is iedereen beste maatjes. Naast het podium zijn slechts een handvol agenten te zien (er zijn er tientallen in de buurt en 150 achter de hand) en die hebben sabel noch gummistok. Het zijn oudere agenten, zorgvuldig geïnstrueerd om geen ogenblik van kwaadheid of kracht blijk te geven, ook de zaalwachten zijn in de loop der jaren geselecteerd uit boerenjongens en winkeliers die niet nijdig te krijgen zijn.

De Beatles dan, na twee en een half uur wachten en een betrekkelijk oninteressant voorprogramma van kleine Nederlandse grootheden. Vier jongens, niet erg mooi, behalve auteur-componist Lennon, die een mager en interessant gezicht heeft. Ze zijn wat mat en kortaf, kennelijk gepikeerd doordat de zaal niet uitverkocht is. Een paar uur later, dezelfde avond, gingen zij in de bloedhete en stampvolle hal door hun routine-werk met veel meer gein. Het zijn duidelijk wat rellerige jo

Klassieken Blokker, de Beatles en 10.000 dorpsgekken 13 juni 1964 Festival der onschuld Leek in de jaren vijftig de ‘verwildering’ van de jeugd zich nog te beperken tot een handvol ‘nozems’, ‘pleiners en dijkers’ en ‘rock-’n-rollers’, na 1960 was het hek van de dam. De 22-jarige sociologiestudent Abram de Swaan bezoekt het legendarisch geworden Beatles-concert in Blokker. Hij probeert erachter te komen wat de Beatles-hysterie te maken heeft met wat ‘het jeugdprobleem’ genoemd werd door de oudere generatie. Abram de Swaan 13 juni 1964 Cadeau geven Delen Cadeau geven Door iedereen te lezen Regulier delen Door abonnees te lezen Geef 30 dagen gratis toegang tot het artikel. U kunt deze maand nog 5 artikelen weggeven. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Attendeer een Groene-abonnee op dit artikel. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Meer informatie over het delen van artikelen Hoe werkt het delen van artikelen? Artikel cadeau geven Als Groene-abonnee kunt u elke maand 5 artikelen weggeven. Het geschonken artikel is 30 dagen onbeperkt te lezen door de ontvanger(s), met of zonder abonnement. Aan het begin van elke maand kunt u weer 5 artikelen weggeven. Regulier delen Het artikel kan door andere abonnees van De Groene Amsterdammer worden gelezen. Mensen zonder abonnement kunnen het artikel wellicht ook lezen, maar dit is vanwege onze betaalmuur niet gegarandeerd. Terug Leeslijst © Cas Oorthuys Dat waren de Beatles. En voorlopig blijft het daarbij, want zelfs onder de uiterst modegevoelige tieners kost het enige tijd om een fenomeen als dat van de Liverpoolse vier op te bouwen. In dit geval heeft de campagne bijna een jaar geduurd, zonder dat manager Brian Epstein daar overigens een cent aan gespendeerd heeft. Om een geheimzinnige reden waren de Beatles opeens nieuws en door een achteraf begrijpelijke oorzaak zijn ze het gebleven. In deze roemzuchtige tijd is publiciteit, gemeten in kolomlengte en zend-seconden, de zekerste maatstaf van aanzien. Ieder publiek persoon weet dan ook dat hij een kans maakt even de aandacht naar zich toe te trekken door zich te associëren met een ander die er overvloed van heeft. Stuk voor stuk refereerden alle Engelsen beroemdheden aan de Beatles, tot Prins Philip en Lord Home toe, die daarmee tevens te kennen gaven dat ze, hoewel behorend tot het Establishment, in het nieuwe heel wel het goede wisten te onderscheiden. Bij ons kwam Wim Kan voor het eerst sinds lange tijd weer op de voorpagina’s door een snedigheidje over de Beatles te debiteren. Zo’n situatie is voor de public-relations man volstrekt ideaal; dat zelfs de concurrentie je onder de aandacht brengt. Alleen zelf geld mogen drukken is winstgevender. Brian Epstein heeft zich in deze positie weten te manoeuvreren; achteraf is duidelijk dat daarbij één van zijn foefjes is geweest zijn viertal te presenteren als de goede keerzijde van het ‘jeugdprobleem’, als de vrolijke, eerlijke jongens, die verdraaid goed weten dat een gulden een gulden is en dat je met zingen en dansen alleen er niet komt, dat het huwelijk de bestendiging der jeugdliefde is en dat je met schone nagels beter gitaar speelt dan met vuile. Die tactiek heeft hem onder de jeugd geen aanhang gekost, want de meeste tieners vinden dat ook, alleen hun ouders hebben dat niet zo gauw door. Maar wie in de Beatles bedervers van het jongelingschap ziet en dat ook nog hardop zegt, maakt zich nu belachelijk; ‘pop music’ is respectabel, niet omdat de tieners en hun idolen veranderd zijn, maar vooral door het beeld dat het Beatle-apparaat heeft weten op te bouwen. Er blijft nog wantrouwen te over. Een paar weken geleden werd op een bijeenkomst over de actualiteit van het marxisme nog verkondigd dat de teenager-muziek opium des volks was, het soma, dat de groot-industrie opvoerde aan de arbeidende jeugd om hen van de klassestrijd af te houden, Van een samenzwering van groot-industrie en publiciteitsmedia (Philips + Veroni
·groene.nl·
In het Noord-Hollandse Blokker zijn The Beatles wat mat en kortaf
Che: ‘Wat is De Groene eigenlijk voor een krant?’
Che: ‘Wat is De Groene eigenlijk voor een krant?’

Waar Cuba’s revolutie slaagde en faalde Een van de opmerkelijkste vraaggesprekken uit de geschiedenis van De Groene is het interview van Theo Stibbe met Ernesto ‘Che’ Guevara. Stibbe is duidelijk onder de indruk van ‘Che’. De man die oprijst uit dit interview is geen fanaticus en meedogenloze killer maar een romantische, idealistische held die van Cuba een aards paradijs trachtte te maken.

Theo Stibbe

3 oktober 1964

Cadeau geven

Delen

Leeslijst

Cuba, september – de receptioniste op de negende etage van het ministerie van Industrie, in Havana, heeft een gehavend bureau en een onbedorven meisjesgezicht dat ze verbergt onder vijftien kilo te veel. Maar als ze lacht, ziet ze er opeens heel jong en weinig revolutionair uit. Dat doet ze nu: vanwege mijn Spaans. Ze wijst op een stoel. ‘Gaat u zitten’, zegt ze, ‘de compagnero minister laat u zo halen.’ Mijn naam hoeft ze helemaal niet te weten. Waar commandante- majoor Ernesto ‘Che’ Guevara de scepter zwaait, klopt de organisatie prima.

Naast de receptioniste staat een piepjong lid van de burgerwacht, een miliciano. Hij is daar waarschijnlijk om zijn chef te beschermen tegen eventuele aanslagen. Maar Guevara is populair en de verantwoordelijkheid drukt hem niet zeer. Hij probeert met de loop van zijn geweer papiertjes van het plafond te pulken. Ik vraag mij af wat de goede sergeant Jansen, die mij als rekruut leerde dat je geweer meer waard was dan je vrouw, van een dergelijke militaire houding zou zeggen. Toch was het een detachement van dit soort jongens dat op 17 april 1961 de eerste schok opving, van de landing in de Varkensbaai en dat zich – in afwachting van versterkingen – tot de laatste man toe dood vocht.

‘Hoe zouden die snippers in vredesnaam aan het plafond zijn gekomen?’ Het is te warm om ernaar te vragen. Ernesto Guevara – die lid is van het leidende revolutionaire driemanschap in Cuba – stelt hoge eisen aan zijn medewerkers. Maar niet hoger dan aan zichzelf. Daarom gelooft hij kennelijk niet aan de installering van airconditioning in zijn bureau. Althans niet voordat hij ieder van zijn ambtenaren ook een dergelijk apparaat ter beschikking kan stellen. En zover is het nog niet in Havana – nog lang niet.

Hij gelooft ook niet in gewichtigdoenerij. Na nauwelijks drie minuten word ik binnengeroepen. In tegenstelling tot de meeste ministers die van achter hun schrijftafel verrijzen, staat ‘Che’ Guevara op de drempel van zijn werkkamer te wachten.

Doet hij dat vanwege de exquise beleefdheid die overal in Cuba in zwang is; dat wil zeggen simpelweg, zonder erover na te denken, omdat men zo een relatie hoort te ontvangen? Of is het omdat hij zijn bezoeker – die door een vrij lang, smal soort gang moet – op die manier beter op kan nemen en hij zo vast een eerste indruk van zijn gast kan krijgen?

Ik weet het niet. Maar deze ontvangst maakt een plezierige indruk. Net als Che Guevara zelf trouwens. Hij is iets minder groot dan hij lijkt op de foto’s: ergens tussen de 1.75 en 1 m 80, waarschijnlijk. Een nogal tengere, goed-gebouwde man met een intelligent, open gezicht. Niets te zien van het compromis dat zoveel politici zovele malen in hun leven gesloten hebben dat zich uiteindelijk in hun gelaatsuitdrukking weerspiegelt. Deze man bedrijft politiek voor een ideaal, zijn ideaal is niet de politiek.

‘El Che’ – zoals men hier zegt – is gekleed in het olijfgroene uniform der guerrillero’s. Alleen heeft hij de koppelriem met het pistool – dat de meeste van zijn collega’s, als symbool van paraatheid, tot op diplomatieke diners toe dragen – maar afgedaan.

Hij geeft een stevige, koele hand en laat me in een ruim, vrij modern werkvertrek. Links is een ‘zitje’, achterin staat een groot bureau waarboven een geweer hangt: zijn wapen uit de dagen van de oorlog in de jungle waarschijnlijk. Bij een divan slaapt een grote hond die tijdens ons onderhoud geen boe of bah zal zeggen. Tussen Guevara en mij staat een laag tafeltje. Er liggen enkele flesjes met medicamenten tegen astma op. De Commandante lijdt aan deze ziekte die hem tijdens de guerrillastrijd in de bergen van de Sierra Maestra geducht parten speelt. Het is bekend dat Guevara, achtervolgd door de troepen van dictator Batista, meermalen de eenheid die hij commandeerde order heeft gegeven hem achter te laten in het oerwoud…

Mijn opening is klassiek. Hij zal het enige klassieke blijken in dit interview. Het gesprek vindt plaats in het Frans.

Commandante, dank u zeer dat u…

Ongeduldig handgebaar: ‘Ja, ja laat u maar. Het is zonde om daarmee tijd te verliezen. We hebben maar een half uur.’

Een half uur? zeg ik een beetje verbaasd, want deze tijdslimiet was mij niet medegedeeld.

‘Ja, Carlos Rafaël Rodriguez, de minister van Landhervorming die u bij mij introduceerde heeft gezegd een half uur.’

O, zei ik en viel dus aan.

Commandante, wat is uws inziens het grootste succes en wat het grootste echec van de revolutie in Cuba?

‘De grootste verdienste is het slagen van de opvoeding (éducation) van de natie, zowel in de praktische als in de politieke zin van het woord. Wij hebben 1961 geproclameerd tot “Jaar van de Opvoeding”. Dat was in de eerste plaats bedoeld als offensief tegen het analfabetisme, maar ook als actie ter verhoging van de vakkennis en als kader om de mensen andere waarden en standaarden te leren dan die van de dollar, de chewing-gum en de Coca-Cola, die de Amerikaanse civilisatie hier karakteriseerden. Dit werk gaat nog steeds door. Op elke straathoek kunt u borden zien met de slogan: “Helpt mee met het verhogen van het ontwikkelingsniveau tot de zesde graad.” Maar we hebben al een spectaculaire vooruitgang geboekt. Zoals bekend, wordt een van de grootste problemen in een economisch achtergebleven gebied – wat Cuba tot op zekere - hoogte was en is – gevormd door het lage niveau van de praktische kennis van de bevolking. Een onderontwikkeld land is onder meer een “onderwezen” land.

In 1958 kon 45 pct. van onze boerenbevolking lezen noch schrijven en ondertekende met zijn duim. Het aantal volwassenen dat nooit naar school geweest was lag even boven het miljoen. We hebben spoedcursussen voor aspirant–onderwijzers gegeven, we hebben kazernes van het leger van Batista omgebouwd tot scholen, en aan het einde van 1961 was Cuba het eerste land van Latijns-Amerika dat het analfabetisme overwonnen had. Hetgeen – ondanks alle vakscholing die we hebben georganiseerd – natuurlijk niet wil zeggen dat we nu ook over voldoende technici en kaders beschikken. Dat neemt uiteraard veel langer.

De toewijding waarmee zelfs oudere boeren ’s avonds naar school gaan is bijzonder ontroerend. Wanneer u op het platteland geweest bent zult u dat zelf wel geconstateerd hebben. Anders heeft Carlos Rafaël Rodriguez het u zeker gezegd.’

Guevara onderbreekt zijn uitleg: ‘Kent u Rodriguez eigenlijk al lang?’

Nee, hij is een intieme vriend van een intieme vriend van mij.

De bruine ogen worden waakzaam, nog waakzamer bedoel ik. ‘U kende hem dus niet en u bent niet via de regeringsvoorlichtingsdienst bij hem geïntroduceerd?’

Nee, al was die natuurlijk wel op de hoogte. Hun tussenkomst zou te veel tijdverlies veroorzaakt hebben.

‘Wat is uw krant – De Groene Amsterdammer – eigenlijk voor een krant?’

Een onafhankelijk weekblad dat te vergelijken valt met de in Mexico verschijnende publicatie ‘Siempre’ die u waarschijnlijk wel kent.

‘Ik beschouw Siempre niet als een communistische krant’, zegt Guevara.

Dat is ‘De Groene’ ook niet, al is zij vooruitstrevend. Er werken van zeer linkse tot liberale journalisten aan mee.

De bruine ogen zijn nu zéér op hun hoede, want tot welke groep behoort dan  de  man die tegenover hem zit? En daarmee zijn de rollen omgedraaid. ‘El Che’ wil weten met wie hij spreekt. Gedurende tien minuten wordt de interviewer scherp, zakelijk en precies geïnterviewd: afkomst, opleiding, politieke opinies, journalistieke activiteiten. Een van de bladen die ik noem kent hij: het heeft een redevoering van hem gepubliceerd. ‘Als u in die krant schrijft bent u wel een ketters soort marxist’, zegt hij, maar binnenkomende koffie redt me van een antwoord. De atmosfeer is nu gezuiverd en Guevara lijkt ontspannener.

‘Waar waren we?’ vraagt hij, maar hij weet het precies, ‘het jaar van de opvoeding en zijn drie doelen. De strijd tegen het analfabetisme, de versnelde technische scholing en hetgeen men een tegenacculturatie zou kunnen noemen. Het laatste probleem was natuurlijk het moeilijkste. Iedereen hier is opgevoed onder invloed van het Amerikaanse neokolonialisme. Velen kenden nauwelijks anders dan de Amerikaanse stijl van leven, hun manier van denken, van werken, van vrije tijd besteden. In de strijd tegen dit culturele imperialisme – die natuurlijk nog lang niet afgelopen is – zijn we goed geholpen door de Verenigde Staten zelf. Door hun vijandige houding in de politiek, door hun pogingen de resultaten van de revolutie te vernietigen werd de aandacht van ons volk gevestigd op dit soort problemen. We zijn er natuurlijk nog lang niet mee klaar, maar ik geloof dat wij erin geslaagd zijn de meerderheid van de Cubanen te doen inzien dat er andere dingen bestaan in het leven dan gadgets, kauwgum, of de snelste manier een dollar te verdienen. Het is een hele levensinstelling, een hele wijze van bestaan die velen onder ons hebben moeten herzien. Vooral in de steden. Dat is natuurlijk nooit eenvoudig…’

U bent het dus eigenlijk eens met de Engelse socialist Bevan die zei dat het zoeken naar geld geen waardige bezigheid voor de mens is?

‘Hmmm, we moeten natuurlijk realistisch blijven…’

Neemt u me niet kwalijk, ik vertaal slecht. Bevan zei: … het zoeken naar gewin…

‘Ja, daar sta ik volledig achter. Maar het introduceren van een dergelijke nieuwe levensinstelling stoot zich natuurlijk onmiddellijk aan oppositie. Van geheel verschillende groepen trouwens, maar toch vooral van degenen die heel nauw in verbinding met de Amerikanen hebben gestaan.’

Zijn die opposanten talrijk?

‘Op dit speciale punt – al is cultuur een veelomv

Waar Cuba’s revolutie slaagde en faalde Een van de opmerkelijkste vraaggesprekken uit de geschiedenis van De Groene is het interview van Theo Stibbe met Ernesto ‘Che’ Guevara. Stibbe is duidelijk onder de indruk van ‘Che’. De man die oprijst uit dit interview is geen fanaticus en meedogenloze killer maar een romantische, idealistische held die van Cuba een aards paradijs trachtte te maken. Theo Stibbe 3 oktober 1964 Cadeau geven Delen Cadeau geven Door iedereen te lezen Regulier delen Door abonnees te lezen Geef 30 dagen gratis toegang tot het artikel. U kunt deze maand nog 5 artikelen weggeven. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Attendeer een Groene-abonnee op dit artikel. E-mail Kopieer link Whatsapp LinkedIn Bluesky Facebook Mastodon Threads X/Twitter Reddit Meer informatie over het delen van artikelen Hoe werkt het delen van artikelen? Artikel cadeau geven Als Groene-abonnee kunt u elke maand 5 artikelen weggeven. Het geschonken artikel is 30 dagen onbeperkt te lezen door de ontvanger(s), met of zonder abonnement. Aan het begin van elke maand kunt u weer 5 artikelen weggeven. Regulier delen Het artikel kan door andere abonnees van De Groene Amsterdammer worden gelezen. Mensen zonder abonnement kunnen het artikel wellicht ook lezen, maar dit is vanwege onze betaalmuur niet gegarandeerd. Terug Leeslijst Cuba, september – de receptioniste op de negende etage van het ministerie van Industrie, in Havana, heeft een gehavend bureau en een onbedorven meisjesgezicht dat ze verbergt onder vijftien kilo te veel. Maar als ze lacht, ziet ze er opeens heel jong en weinig revolutionair uit. Dat doet ze nu: vanwege mijn Spaans. Ze wijst op een stoel. ‘Gaat u zitten’, zegt ze, ‘de compagnero minister laat u zo halen.’ Mijn naam hoeft ze helemaal niet te weten. Waar commandante- majoor Ernesto ‘Che’ Guevara de scepter zwaait, klopt de organisatie prima. Naast de receptioniste staat een piepjong lid van de burgerwacht, een miliciano. Hij is daar waarschijnlijk om zijn chef te beschermen tegen eventuele aanslagen. Maar Guevara is populair en de verantwoordelijkheid drukt hem niet zeer. Hij probeert met de loop van zijn geweer papiertjes van het plafond te pulken. Ik vraag mij af wat de goede sergeant Jansen, die mij als rekruut leerde dat je geweer meer waard was dan je vrouw, van een dergelijke militaire houding zou zeggen. Toch was het een detachement van dit soort jongens dat op 17 april 1961 de eerste schok opving, van de landing in de Varkensbaai en dat zich – in afwachting van versterkingen – tot de laatste man toe dood vocht. ‘Hoe zouden die snippers in vredesnaam aan het plafond zijn gekomen?’ Het is te warm om ernaar te vragen. Ernesto Guevara – die lid is van het leidende revolutionaire driemanschap in Cuba – stelt hoge eisen aan zijn medewerkers. Maar niet hoger dan aan zichzelf. Daarom gelooft hij kennelijk niet aan de installering van airconditioning in zijn bureau. Althans niet voordat hij ieder van zijn ambtenaren ook een dergelijk apparaat ter beschikking kan stellen. En zover is het nog niet in Havana – nog lang niet. Hij gelooft ook niet in gewichtigdoenerij. Na nauwelijks drie minuten word ik binnengeroepen. In tegenstelling tot de meeste ministers die van achter hun schrijftafel verrijzen, staat ‘Che’ Guevara op de drempel van zijn werkkamer te wachten. Doet hij dat vanwege de exquise beleefdheid die overal in Cuba in zwang is; dat wil zeggen simpelweg, zonder erover na te denken, omdat men zo een relatie hoort te ontvangen? Of is het omdat hij zijn bezoeker – die door een vrij lang, smal soort gang moet – op die manier beter op kan nemen en hij zo vast een eerste indruk van zijn gast kan krijgen? Ik weet het niet. Maar deze ontvangst maakt een plezierige indruk. Net als Che Guevara zelf trouwens. Hij is iets minder groot dan hij lijkt op de foto’s: ergens tussen de 1.75 en 1 m 80, waarschijnlijk. Een nogal tengere, goed-gebouwde man met een intelligent, open gezicht. Niets te zien van het compromis dat zoveel
·groene.nl·
Che: ‘Wat is De Groene eigenlijk voor een krant?’
Elsevier 1996-11-02 Winner takes all - Macht en seks waren altijd verbonden - Kennedy Mitterand ea
Elsevier 1996-11-02 Winner takes all - Macht en seks waren altijd verbonden - Kennedy Mitterand ea
Macht en seks zijn altijd met elkaar verbonden geweest. Maar de buitenechtelijke capriolen van Kennedy en Mitterand vallen nog in het niet vergeleken bij die van Afrikaanse Chinese leiders. Wat gebeurt er met een man als hij macht heeft? Plus een debat (zie p52 e.v. "Al huurt hij heel Parijs af").
·up.raindrop.io·
Elsevier 1996-11-02 Winner takes all - Macht en seks waren altijd verbonden - Kennedy Mitterand ea
Elsevier 1996-11-02 De onvermijdelijke samenleving - Niet de verbeelding maar de angst regeert.pdf
Elsevier 1996-11-02 De onvermijdelijke samenleving - Niet de verbeelding maar de angst regeert.pdf
Niet de verbeelding, maar de angst is aan de macht. Alleen wanneer de veiligheid van mens (en auto) in het geding is, maken zij zich druk. Is '1968' voor niets geweest? 'Het volk' was al snel tevreden met verworvenheden als televisie, abortus, vakantiegeld, scheiding, auto en een pilsje.
·up.raindrop.io·
Elsevier 1996-11-02 De onvermijdelijke samenleving - Niet de verbeelding maar de angst regeert.pdf
Elsevier 1996-11-02 Pim Fortuyn - Vreemdelingenbeleid
Elsevier 1996-11-02 Pim Fortuyn - Vreemdelingenbeleid
Piim Fortuyn over een Rotterdams zwembad dat zich aanpast aan islamitische voorschriften over gekleed en gescheiden zwemmen, fatsoenlijk debat over uitwassen van de multiculturele samenleving is onmogelijk door de anti-discriminatiecomités (een soort geestelijke politie) van PvdA en GroenLinks, Nederlands cultuurrelativisme.
·up.raindrop.io·
Elsevier 1996-11-02 Pim Fortuyn - Vreemdelingenbeleid
Donald Trump koopt boot en hele scheepswerf in Makkum
Donald Trump koopt boot en hele scheepswerf in Makkum
MAKKUM, 10 mei - Het nieuws, dat de kleurrijke Amerikaanse onroerend goed- magnaat, Donald Trump, de werf Amels Holland in Makkum heeft overgenomen, is ook al tot het meisje van de dorpsbakker doorgedrongen: 'Het is geen Amels meer, maar Trumf. TRUMF. Dat heeft ook al in Prive en Story gestaan. Amels was bijna failliet. Nu Trumf het gekocht heeft, weet hij zeker dat zijn eigen schip zal worden…
·nrc.nl·
Donald Trump koopt boot en hele scheepswerf in Makkum
Omroep Fryslân 1997-12-11 Nederland 2030
Omroep Fryslân 1997-12-11 Nederland 2030

Handgeschreven aantekeningen (door YL) van een uitzending van het praatprgoramma Regaat van Omrop Fryslân op Nederland 2 over "Nederland 2030" van de Rijksplanologische Dienst (RPD). Vier perspectieven: 1) Palet (accent op de vrije markt); 2) Parklandschap (accent op het landschap); 3) Stromenland (accent op verkeer en water/staat); 4) Stedenland (accent op ontwikkeling van de bebouwde kom - het landschap vrijwaren.

Vliegveld in de Flevopolder (Lelystad) is belangrijk voor Friesland = bruggehoofd tussen Randstad en Noord-Oost Nederland. Zo niet, dan kunnen wede Zuiderzeespoorlijn wel vergeten!

Reg.: AT/ABC-224

·up.raindrop.io·
Omroep Fryslân 1997-12-11 Nederland 2030
Bewonersgroepen Binnenstad Utrecht - Keizerlijke Klokjuffer
Bewonersgroepen Binnenstad Utrecht - Keizerlijke Klokjuffer

Keizerlijke Klokjuffer was een samenwerking van de bewonerscomitës van de Keizerstraat, Korte en Lange Jufferstraat en de Kloksteeg. Ik ben voorzitter geweest va de bewonersvereniging Klokhuis, later bewonerscomité.

Het document is een uitnodiging voor een bijeenkomst over de toekomst van de binnenstad. Bewonersorganisaties van de binnenstad hebben een gezamenlijke visie gemaakt op de binnenstad voor het jaar 2010. De bijeenkomst is op zaterdag 26 april, vermoedelijk1997. Dat is het laatste jaar dat ik aan de Kloksteeg woonde, ik denk niet dat ik bij deze visie en bijeenkomst betrokken ben geweest. - YL

·up.raindrop.io·
Bewonersgroepen Binnenstad Utrecht - Keizerlijke Klokjuffer
Leeuwarden van 1846 tot 1906
Leeuwarden van 1846 tot 1906
Dit document opgenomen op de website go.stylo.nl/Tammingagoed > menu Varia > Leeuwarden 1846-1906. Jaartal van de tekst is onbekend, vermoedellijk tussen 1906 en 1909.
·historischcentrumleeuwarden.nl·
Leeuwarden van 1846 tot 1906