Spring naar Content Hoofdmenu
Home Gebruikersmenu
Je krijgt dit verhaal cadeau van Jesse Frederik, Correspondent Economie
Word ook lid 21.05.26 Analyse 14-19 min Vreemd maar waar: de meest plausibele verklaring voor de opkomst van radicaal-rechts is ook de minst populaire
Jesse Frederik Correspondent Economie
Illustraties door Kimberly Elliott (voor De Correspondent) Vraag een PVV-kiezer waarom hij PVV stemt en hij zegt: migratie. Vraag het een politicoloog en je krijgt een ander antwoord: gesloten bibliotheken, verdwenen huisartsenposten, veertig jaar neoliberalisme. Hoe zit dat?
Over het succes van radicaal-rechts zijn bibliotheken volgeschreven. De insteek is vaak dezelfde: hoe bestaat het, dat mensen vatbaar zijn voor deze dwaalleer? Industriële desinformatie? Het neoliberalisme? Henk Kamp?
De laatste toevoeging aan het genre is De symfonie van onvrede. De opmars van radicaalrechts van politicoloog Catherine de Vries.
De these van het boek is simpel: door het terugtrekken van de overheid ervaren burgers een verlies (dat zijn de noten), radicaal-rechtse politici hertalen die verlieservaring naar haat tegen anderen (dat is de melodie), middenpartijen en media verspreiden die boodschap van haat (dat zijn de versterkers) – en ziedaar: de symfonie van onvrede. (In deze ietwat ontspoorde metafoor zijn er ook componisten, dirigenten, een orkest, een partituur, een weerklank, en dissonanten – maar die mag je vergeten.)
Het boek is een uitwerking van wat De Vries tweeënhalf jaar geleden al schreef na de enorme verkiezingszege van de PVV. Slechts ‘een harde kern van radicaal-rechtse stemmers’ was volgens haar gedreven door ‘kritiek op het migratiebeleid’. Wat mensen écht richting radicaal-rechts dreef was ‘de uitholling van publieke voorzieningen’.*
Nou stuurde een spion bij peilbureau Ipsos I&O mij onlangs een overzicht met de stemmotivaties van PVV-kiezers bij de verkiezingen van 2025. Zo’n 67 procent gaf in een open vraag aan PVV te stemmen vanwege migratie, ‘Nederlanders eerst’ of anti-islam. Op de tweede plaats, met 8 procent, stond ‘alles’. De uitholling van publieke voorzieningen (of iets wat daar in de verste verte op leek) werd door geen enkele respondent genoemd.
Maar van de eigen stemverklaringen van radicaal-rechtse kiezers is De Vries niet zo onder de indruk. ‘Dat iemand in een survey zegt “ik heb op de PVV gestemd” en ook problemen heeft met migratie, zegt nog niks over waaróm mensen tegen migratie zijn’, zei ze in mijn podcast.*
Nou erkende De Vries in mijn podcast dat migratie een reden kan zijn om op een radicaal-rechtse partij te stemmen. Maar in haar boek worden migratiestandpunten eigenlijk steevast beschreven als aangepraat (men is de fabeltjesfuik in gevaren) of afgeleid (men is eigenlijk boos op het neoliberalisme). ‘De onvrede in Europa over de terugtrekking van de staat is reëel’, noteert De Vries in haar boek. ‘Maar wordt geprojecteerd op [...] “de elite” en “de migrant”.’*
De radicaal-rechtse kiezer, de lemming, hij doet maar wat! Ik zal maar meteen kleur bekennen: ik ben sceptisch over dit genre kiezersduiding. Wanneer iemand op PRO stemt omdat die zich zorgen maakt over het klimaat, dan vinden we dat volstrekt vanzelfsprekend (niemand die er iets achter gaat zoeken). Maar als mensen zeggen ‘Nederlanders eerst!’, dan bedoelen ze opeens: ‘Mag de huisartsenpost weer open?’ Is dat niet een beetje vergezocht?
Politicologen Meindert Fennema en Wouter van der Brug merkten ruim twintig jaar geleden op dat de meest voor de hand liggende verklaring voor een stem op een anti-migratiepartij – namelijk dat mensen tegen migratie zijn – onder politicologen weinig populair is. De reden? ‘Veel onderzoekers vinden het moeilijk te geloven dat kiezers rationeel zouden stemmen op wat zijzelf racistische of neofascistische partijen vinden.’*
Dat gevoel bekroop mij ook toen ik het boek van De Vries las. Allerlei redenen om radicaal-rechts te stemmen passeren de revue: de Rutte-doctrine, Groningers die ‘al meer dan tien jaar op schadeherstel wachten’ (nieuws voor mij), en bezuinigingen in het kader van de decentralisatie van de jeugdzorg (de uitgaven aan jeugdzorg zijn sinds die decentralisatie meer dan verdubbeld van 3,6 miljard in 2015 naar 8,1 miljard in 2024),* maar de meest voor de hand liggende verklaring ontbreekt.
Wanneer je kiezers vraagt zichzelf en partijen te positioneren op de stelling ‘moeten migranten zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur of mogen zij hun eigen cultuur behouden?’ – dan zie je dat nogal veel kiezers zichzelf dicht bij het standpunt van radicaal-rechtse partijen plaatsen, en – niet geheel onlogisch – daarom ook vaker op radicaal-rechtse partijen stemmen.
Catherine de Vries hamert erop dat dwarsverbanden in peilingen je weinig vertellen over werkelijke oorzaken. ‘Stemt iemand [op] de PVV omdat ze migratie belangrijk vinden, of vinden ze migratie belangrijk omdat ze op de PVV stemmen?’ zei ze in mijn podcast.
Maar wat opvalt als je naar kiezersonderzoek kijkt is dat migratiestandpunten eigenlijk niet zo bijster veel veranderen. Wat dat betreft is het weinig plausibel dat allerlei actuele ontwikkelingen (zoals de doorbraak van radicaal-rechtse partijen) oorzaak zouden zijn van negatief migratiesentiment – dat sentiment is er namelijk al zo lang we het peilen. In 1994 vond iets meer dan de helft van Nederland dat we meer asielzoekers moeten terugsturen dan toelaten, in 2023 vond 63 procent dat.
Wat wel is veranderd: kiezers laten deze migratiestandpunten steeds nadrukkelijker meewegen in het stemhokje. In 1998 was migratie nog een electorale bijzaak (veel kiezers die negatief dachten over migratie kwamen niet eens opdagen bij verkiezingen), inmiddels is het voor veel kiezers hoofdzaak. Maar liefst 35 procent van de kiezers gaf bij de verkiezingen in 2023 aan dat zij hun stem vooral baseerden op het onderwerp migratie.
Misschien is dat ook niet zo vreemd. Als een hoop kiezers mínder asielmigratie willen, maar méér asielmigratie krijgen dan gaan ze dat als een probleem ervaren. De Eurobarometer peilt al bijna twee decennia wat mensen ervaren als de twee grootste problemen in hun land. Wat blijkt: als er veel werkloosheid is, dan noemen mensen vaak werkloosheid; is er veel inflatie, dan maken mensen zich zorgen over inflatie; en is er veel asielmigratie, dan zien mensen een migratieprobleem.
‘In Nederland komen er objectief gezien maar weinig asielzoekers binnen,’ schrijft Catherine de Vries in haar boek. De asielcrisis is vooral een gevoel. Volgens De Vries komt dat ‘doordat emoties de lenzen zijn geworden waardoor feiten betekenis krijgen’ en ‘gevoelens beter verkopen dan statistieken.’* Maar wie over een langere periode kijkt ziet dat er de afgelopen vijf jaar bovengemiddeld veel asielmigranten binnenkwamen. En wanneer je de komst van Oekraïners meerekent (en waarom zou je dat eigenlijk niet doen?), kwamen er niet eerder zoveel asielmigranten naar Nederland als de afgelopen jaren.
Een gapend representatiegat Radicaal-rechtse partijen munten de onvrede over (asiel)migratie door te claimen dat er een culturele en politieke elite is die maling heeft aan de migratiezorgen van een hoop kiezers. ‘Populisten worden vaak omschreven als mensen die claimen een representatiekloof te dichten’, noteert politiek econoom Laurenz Guenther hierover. ‘Tot op heden hebben onderzoekers grotendeels nagelaten te controleren of dit klopt.’
Dus deed Guenther dat zelf maar. Hij vergeleek de antwoorden van 27.000 burgers uit 27 Europese lidstaten in peilingen met antwoorden in enquêtes onder 994 leden van nationale en Europese parlementen. Zo kon hij zien: op welke onderwerpen wijken de opvattingen van kiezers en gekozenen het meest af?*
Wat bleek: op onderwerpen als immigratie, integratie, en het bestraffen van criminaliteit was de gemiddelde Europese burger véél conservatiever dan de gemiddelde Europese politicus. De culturele kloof tussen de gemiddelde Europeaan en de gemiddelde Europese politicus bleek ongeveer zo groot als de kloof tussen het gemiddelde communistische parlementslid en het gemiddelde conservatieve parlementslid, laat Guenther zien.
Vandaag de dag ziet dat plaatje er vermoedelijk wel anders uit. De gegevens van Guenther komen uit 2009, toen Europese rechtspopulistische partijen slechts 7 procent van de stemmen haalden. In 2025 was hun stemaandeel meer dan verdrievoudigd naar 24 procent.* Daarmee is de representatiekloof op thema’s als migratie en integratie ook deels gedicht.
De beste langjarige data komt uit Zweden, waar ze al sinds de jaren negentig bij elke verkiezing parlementsleden én kiezers op dezelfde onderwerpen peilen.* Steeds gaf ergens tussen de 40 en 65 procent van de Zweedse kiezers aan minder asielmigratie te willen. Meestal was minder dan tien procent van de parlementsleden het daarmee eens. Pas toen de rechts-populistische Zweedse Democraten begonnen te groeien, verschoof de parlementaire opinie richting de publieke opinie.
Op een thema als het verkleinen van de inkomensverschillen vormden parlementariërs al veel langer een aardige afspiegeling van de opvattingen van kiezers.
Nu kun je het met recht betreuren dat de anti-migratiestandpunten die onder kiezers al normaal waren, nu ook onder politieke elites normaal zijn geworden. Maar het hoeft niet per se te verbazen dat in een vertegenwoordigende democratie populaire standpunten vroeg of laat vertegenwoordigd worden. Zeker als die standpunten – bijvoorbeeld: door de komst van meer asielmigranten naar Europa – in het hoofd van veel kiezers relevanter zijn geworden.
Wat mij weer terugbrengt bij het boek van Catherine de Vries over de opmars van radicaal-rechts in Europa – want daarin lees je over al het voorgaande dus niks. Wel over gesloten Britse huisartsenposten (winst voor Reform), slechte leningen van foute banken aan Franse gemeenten (een meevaller voor het Rassemblement National), en een olijfboomziekte in Puglia (kassa voor Lega).
Radicaal-rechts stemmen, want: koude san