Ga direct naar inhoud Europa is terug bij 1952
column In Europa
Caroline de Gruyter Gepubliceerd op 12 juni 2026 om 18:00 Leestijd 2 minuten
Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa. Het fiasco van het Frans-Duitse gevechtsvliegtuig, het Future Combat Air System (FCAS), was deze week nog maar net bekend of het regende al gitzwarte analyses. Het was een blamage voor de Europese soevereiniteit. Een deuk in de zogenoemde strategische autonomie. Europeanen waren weer te verdeeld om een gezamenlijke defensie op te tuigen.
Dat klopt allemaal. Maar juist doordat dit project is geklapt, is er ook een kans dat een meer Europese defensie nu wél van de grond komt.
FCAS, waaraan ook Spanje meedeed, liep voornamelijk vast om één reden: het Franse bedrijf Dassault Aviation trok de leiding naar zich toe en liet de Duitsers er amper bij. Dassault wilde het werk zelf doen, hield know-how voor zichzelf en weigerde intellectueel eigendom (IE) en patenten te delen met het Airbus Defence & Space. Puur industrieel nationalisme, dat uit de hand liep omdat er geen Europese regeling bestaat voor de werkverdeling bij zulke projecten en, minstens zo belangrijk, voor de verdeling van toekomstige (ook niet-militaire) opbrengsten van know-how en IE. En als er geen regeling is, gaat degene met de grootste spierballen er met de buit vandoor. Dat geldt voor banken, voor farmaceuten, voor elke sector. Het FCAS-debacle laat zien dat er nu Europese regels voor de defensie-industrie moeten komen.
Europese landen en bedrijven tuigen koortsachtig gemeenschappelijke defensieprojecten op. Dat moet, vanwege de Russische dreiging en de Amerikaanse terugtrekking uit Europa. Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje werken aan een Eurodrone. Meerdere landen bouwen een ruimteschild of helpen Oekraïne. Met EU-subsidie kopen kleinere landen samen wapens, bij elkaar. Alles gaat razendsnel. Er zijn astronomische bedragen mee gemoeid: iedereen heeft lang op defensie bezuinigd en komt van onder nul. Zoveel bedrijvigheid schept kansen, maar het gevaar is dat het een zooitje wordt en dat de grootste bedrijven, gedekt door nationale regeringen, de rest de tent uit ellebogen.
Als Frankrijk en Duitsland nu hun defensie weer nationaal opbouwen, komt Europa full circle Dit is wat er misging met het Frans-Duitse gevechtsvliegtuig. Beide landen hebben machtige wapenfabrikanten die beslissingen van politieke leiders om meer Europees te doen gewoon negeren. President Macron wilde van FCAS een symbolische Frans-Duitse coproductie maken, maar Dassault monopoliseerde alles en de Duitsers – die de helft betaalden – kregen er genoeg van.
Dit gaat heel Europa aan, want dit zijn de twee landen die altijd hebben gevochten om dominantie op het continent. Niet voor niets begon de Europese integratie in 1952 met de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS): door de Franse en Duitse oorlogsindustrie onder supranationaal gezag te plaatsen, wilde men een derde wereldoorlog voorkomen. Als Frankrijk en Duitsland nu hun defensie weer nationaal opbouwen, komt Europa full circle. Het op elkaar afstemmen van nationale oorlogsmachinerieën zorgde voor tachtig jaar vrede. Als Europese landen binnenkort voor het eerst sinds lange tijd weer oorlog kunnen voeren tegen elkaar, staat hen maar één ding te doen: nationale oorlogsindustrieën opnieuw onder supranationaal gezag plaatsen, of tenminste regels maken die echte Europese samenwerking garanderen. Europa is terug bij 1952.
Dat betekent niet dat defensie niet nationaal kan zijn. Landen kunnen hun eigen ding doen. Zolang ze wapens bij elkaar bestellen op een goed-gereguleerde EU-defensiemarkt en aankopen coördineren (om elkaar te kunnen helpen met compatibele wapensystemen), is er weinig aan de hand. Kleinere landen doen dat allang, en steeds meer. De problemen beginnen als Duitsland alleen bestellingen plaatst bij Duitse fabrieken en Frankrijk bij Franse fabrieken, zoals nu, en zij elkaars producten weren. Opnieuw beuken deze twee staten op elkaar in om hun nationale industrie te beschermen, waardoor militair-politieke rivaliteit kan escaleren. Precies wat er vroeger altijd misging – tot de EGKS er paal en perk aan stelde.
Heeft Duitsland van de FCAS-episode geleerd? De uitspraak van Airbus-baas Michael Schoellhorn dat „de Duitse industrie nu centraal moet staan” in Europa suggereert van niet. Als de regering in Berlijn verstandig is, knijpt het deze wraakzucht af en pusht het voor een Europese regeling voor de verdeling van werk en IE bij defensieprojecten. Nederland moet dat steunen.
Alleen als dat gebeurt, kunnen Europeanen zeggen dat ze iets van de geschiedenis hebben geleerd.
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
Ga direct naar inhoud Europa is terug bij 1952
column In Europa
Caroline de Gruyter Gepubliceerd op 12 juni 2026 om 18:00 Leestijd 2 minuten
Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa. Het fiasco van het Frans-Duitse gevechtsvliegtuig, het Future Combat Air System (FCAS), was deze week nog maar net bekend of het regende al gitzwarte analyses. Het was een blamage voor de Europese soevereiniteit. Een deuk in de zogenoemde strategische autonomie. Europeanen waren weer te verdeeld om een gezamenlijke defensie op te tuigen.
Dat klopt allemaal. Maar juist doordat dit project is geklapt, is er ook een kans dat een meer Europese defensie nu wél van de grond komt.
FCAS, waaraan ook Spanje meedeed, liep voornamelijk vast om één reden: het Franse bedrijf Dassault Aviation trok de leiding naar zich toe en liet de Duitsers er amper bij. Dassault wilde het werk zelf doen, hield know-how voor zichzelf en weigerde intellectueel eigendom (IE) en patenten te delen met het Airbus Defence & Space. Puur industrieel nationalisme, dat uit de hand liep omdat er geen Europese regeling bestaat voor de werkverdeling bij zulke projecten en, minstens zo belangrijk, voor de verdeling van toekomstige (ook niet-militaire) opbrengsten van know-how en IE. En als er geen regeling is, gaat degene met de grootste spierballen er met de buit vandoor. Dat geldt voor banken, voor farmaceuten, voor elke sector. Het FCAS-debacle laat zien dat er nu Europese regels voor de defensie-industrie moeten komen.
Europese landen en bedrijven tuigen koortsachtig gemeenschappelijke defensieprojecten op. Dat moet, vanwege de Russische dreiging en de Amerikaanse terugtrekking uit Europa. Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje werken aan een Eurodrone. Meerdere landen bouwen een ruimteschild of helpen Oekraïne. Met EU-subsidie kopen kleinere landen samen wapens, bij elkaar. Alles gaat razendsnel. Er zijn astronomische bedragen mee gemoeid: iedereen heeft lang op defensie bezuinigd en komt van onder nul. Zoveel bedrijvigheid schept kansen, maar het gevaar is dat het een zooitje wordt en dat de grootste bedrijven, gedekt door nationale regeringen, de rest de tent uit ellebogen.
Als Frankrijk en Duitsland nu hun defensie weer nationaal opbouwen, komt Europa full circle Dit is wat er misging met het Frans-Duitse gevechtsvliegtuig. Beide landen hebben machtige wapenfabrikanten die beslissingen van politieke leiders om meer Europees te doen gewoon negeren. President Macron wilde van FCAS een symbolische Frans-Duitse coproductie maken, maar Dassault monopoliseerde alles en de Duitsers – die de helft betaalden – kregen er genoeg van.
Dit gaat heel Europa aan, want dit zijn de twee landen die altijd hebben gevochten om dominantie op het continent. Niet voor niets begon de Europese integratie in 1952 met de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS): door de Franse en Duitse oorlogsindustrie onder supranationaal gezag te plaatsen, wilde men een derde wereldoorlog voorkomen. Als Frankrijk en Duitsland nu hun defensie weer nationaal opbouwen, komt Europa full circle. Het op elkaar afstemmen van nationale oorlogsmachinerieën zorgde voor tachtig jaar vrede. Als Europese landen binnenkort voor het eerst sinds lange tijd weer oorlog kunnen voeren tegen elkaar, staat hen maar één ding te doen: nationale oorlogsindustrieën opnieuw onder supranationaal gezag plaatsen, of tenminste regels maken die echte Europese samenwerking garanderen. Europa is terug bij 1952.
Dat betekent niet dat defensie niet nationaal kan zijn. Landen kunnen hun eigen ding doen. Zolang ze wapens bij elkaar bestellen op een goed-gereguleerde EU-defensiemarkt en aankopen coördineren (om elkaar te kunnen helpen met compatibele wapensystemen), is er weinig aan de hand. Kleinere landen doen dat allang, en steeds meer. De problemen beginnen als Duitsland alleen bestellingen plaatst bij Duitse fabrieken en Frankrijk bij Franse fabrieken, zoals nu, en zij elkaars producten weren. Opnieuw beuken deze twee staten op elkaar in om hun nationale industrie te beschermen, waardoor militair-politieke rivaliteit kan escaleren. Precies wat er vroeger altijd misging – tot de EGKS er paal en perk aan stelde.
Heeft Duitsland van de FCAS-episode geleerd? De uitspraak van Airbus-baas Michael Schoellhorn dat „de Duitse industrie nu centraal moet staan” in Europa suggereert van niet. Als de regering in Berlijn verstandig is, knijpt het deze wraakzucht af en pusht het voor een Europese regeling voor de verdeling van werk en IE bij defensieprojecten. Nederland moet dat steunen.
Alleen als dat gebeurt, kunnen Europeanen zeggen dat ze iets van de geschiedenis hebben geleerd.
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie
‘Een kwestie van politieke wil’ Een jonge rekruut uit Nederland vecht als scherpschutter voor het Israëlische leger. Hij werd uitgezonden naar Gaza, de Westoever en Libanon, waar Israël op grote schaal humanitair recht schendt. Mag dat zomaar, en wat moet er gebeuren voordat het OM in actie komt?
Romy van der Burgh, Marieke Rotman en Allart van der Woude beeld Merel Corduwener
10 juni 2026 – verschenen in nr. 24
Een negentienjarige jongen trekt begin 2024 zijn legeruniform aan in een militair opleidingscentrum in Israël. Nieuwe rekruten zoals hij moeten bloed afgeven en er worden röntgenfoto’s gemaakt van hun gebit voor eventuele identificatie als hun iets overkomt. Bij mannen met te lang haar wordt het hoofd geschoren.
Eerder heeft de jongen toelatingstests gedaan voor de parachutistenbrigade van de Israëlische strijdkrachten. Hij moest met zandzakken en brancards rennen en werd getest op verantwoordelijkheidsgevoel, initiatief en improvisatievermogen. Hij werd toegelaten. Aan het begin van de opleiding poseren tien jongens tussen stapelbedden voor een foto, ze dragen hun wapens voor hun buik en houden hun nieuwe insigne tussen hun tanden. Het lapje stof met een gifgroene slang zal straks op hun uniform prijken.
De paratroopers, april 2024 De opleiding duurt acht zware maanden. Ze moeten onder meer sprongen uit een vliegtuig maken, met bepakking en al. Aan het einde van de opleiding gaan ze op ‘oorlogsweek’, waarin ze oorlogssituaties simuleren en nauwelijks slapen. De zwaarste proef komt als laatste: masa kumta (‘baretmars’): negentig kilometer marcheren van de Tel Nof-luchtbasis naar Ammunition Hill in Oost-Jeruzalem, met tientallen kilo’s bepakking, door de nachtelijke kou en de brandende zon. De jonge militair komt begin november 2024 aan in Oost-Jeruzalem. Daar wacht hij samen met de anderen om de kenmerkende rode baret te ontvangen. De jongen, zijn armen om de schouders van andere jonge militairen, kijkt trots lachend in de camera. Vanaf nu is hij officieel paratrooper.
In de periode dat hij zich aansluit bij het Israëlische leger escaleert het geweld in de strijd tegen Hamas in Gaza snel. Begin januari 2024 zijn er al zo’n 22.000 Palestijnse doden en 57.000 gewonden gevallen. Het Internationaal Gerechtshof waarschuwt Israël in die maand dat het alles moet doen om een genocide te voorkomen. Maar in de maanden erna komen steeds meer berichten naar buiten van bombardementen op tentenkampen en ziekenhuizen, massale moordpartijen bij voedseluitgiftepunten en Israëlische scherpschutters die bewust op kinderen zouden schieten.
Al in 2024 vaardigde het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel uit voor de toenmalige Israëlische minister van Defensie wegens oorlogsmisdaden in Gaza.
Waar het grootste deel van de nieuwe rekruten voor de Israel Defense Force (idf) bestaat uit Israëlische jongeren die worden opgeroepen voor dienstplicht, geldt dat voor deze jongen niet: hij groeide niet op in Israël, hij is Nederlands. Na zijn training zal hij als scherpschutter op de plekken komen waar door de idf het hardst wordt gevochten, en waar Israël op grote schaal schendingen van internationaal en humanitair recht begaat: Gaza, de Westoever en Libanon.
Voor De Groene Amsterdammer, Trouw en Investico kijken wij met hem mee. Via honderden sociale-mediaposts op Instagram, reportages en interviews met legercommandanten in voornamelijk Israëlische media reconstrueren we de route die de Nederlandse scherpschutter sinds 2024 aflegde. Omwille van zijn veiligheid en die van zijn directe omgeving maken wij zijn identiteit niet bekend, in dit verhaal noemen we hem X., zijn naam is bekend bij de hoofdredactie.
Het is een uniek inkijkje in een hoogst gesloten wereld: waar steeds meer verhalen naar buiten komen over de slachtoffers van het geweld van de IDF in Gaza en op de Westoever, blijven de IDF en Israël zelf grote anonieme daders. Wie de mensen zijn die in die gebieden dienen en hoe het leger intern functioneert, blijft buiten zicht.
Het verhaal van de jongen roept daarom ook de vraag op: mag hij dit zomaar doen? Volgens het Nederlandse Openbaar Ministerie is dienen in een buitenlands leger in principe niet verboden, zolang dat land niet in oorlog is met Nederland. De grens ligt bij individuele betrokkenheid bij ‘internationale misdrijven’, een verzamelbegrip voor verschillende zeer ernstige schendingen van het internationale recht, zoals genocide, apartheid of foltering. Het Nederlandse OM heeft een speciale afdeling die onderzoek doet naar daders van dit soort misdrijven in conflicten wereldwijd. Zij hebben een ‘sterke aanwijzing’ nodig om daar onderzoek naar te doen. Terwijl wij maandenlang de Nederlandse scherpschutter volgen door Gaza, de Westoever en Libanon vragen we ons af: wanneer is die grens bereikt? Wanneer komt het OM in actie?
Libanon, december 2024 Vanaf een balkon is een paars-roze lucht te zien boven verlaten, kapotgebombardeerde straten. De zon hangt achter de bergen in de verte. Overal ligt puin, gevels zijn van de gebouwen geslagen. Z., een jongen uit het bataljon van X., plaatst op 12 december 2024 een verzameling foto’s en video’s op Instagram van de militaire uitzending als paratrooper in Libanon. Er staat een emoji van een Libanese vlag bij.
Op een van de beelden zitten drie jonge soldaten op een rode bank, een zit ernaast op een plastic stoel, in een overhoop gehaald huis. Een van hen ligt onderuitgezakt te slapen. De anderen steken sigaretten op en houden voorwerpen omhoog die ze in het huis gevonden hebben: een klein potje, een voetbal, een speelgoedtrein. Waarschijnlijk bezittingen van de voormalige bewoners. Achter de bank is een gigantisch gat in de muur geslagen, daarachter zie je de keuken. Als locatie staat ‘The Maldives’ boven de foto van Z. – de idf-militairen posten vaker foto’s van hun uitzendingen met als grap de plaatsaanduiding van vakantieoorden. Het nummer 2 of Amerikaz Most Wanted van 2Pac speelt onder de beelden.
X. zien we niet op deze beelden van zijn team. De eerste foto die we van hem terugvinden na de viering met de baretten wordt gepost op 10 december 2024. Samen met Y. staat hij op een parkeerplaats, nonchalant houden ze hun geweer in de lucht. De zogeheten ‘geotag’ op Instagram, een vermelding van een locatie die gebruikers zelf kunnen toevoegen, vermeldt ‘Libanon’.
We vragen ons af waarom de groep precies in Libanon zou zijn, en stuiten op een interview in de Israëlische krant Israel Hayom met luitenant-kolonel M., van X.’s bataljon 101, waarin hij in september 2025 terugblikt op een aantal uitzendingen. Over hun aanwezigheid in Libanon zegt hij: ‘Wij zijn daar waar het de Israëliërs pijn doet.’ ‘De parachutisten drongen diep door in Zuid-Libanon, naar gebieden die het Israëlische leger zelfs tijdens de Tweede Libanonoorlog niet had bereikt’, schrijft de auteur van het artikel.
In januari 2025 is X. weer even in Nederland. Hij is daar samen met Y., een jongen uit zijn bataljon, die de foto’s deelde op zijn Instagram – bijvoorbeeld van hoe de twee gaan hardlopen in de stad waar X. is opgegroeid. Daarna reizen de twee jongens terug naar Israël voor de volgende fase van hun diensttijd.
Als de basisopleiding is afgerond, volgt meestal een specialisatie, die afhankelijk is van hoe je presteert. X. blijkt een goede schutter, want hij wordt geselecteerd voor de sniper-opleiding, een populaire plek.
We kunnen dit allemaal zien omdat we op Instagram undercover gaan als militair van het Israëlische leger. We maken een profiel aan en zetten een voor een volgverzoeken uit bij de vaak afgeschermde accounts rondom de Nederlandse scherpschutter. Soms zijn dat persoonlijke accounts, soms zijn het accounts van een bataljon of compagnie.
Langzaamaan verlenen steeds meer accounts ons, opvallend genoeg, toegang. Op openbare accounts, zoals het algemene kanaal van de paratroopers, worden gezichten van soldaten op foto’s onherkenbaar gemaakt. Maar binnen de afgeschermde profielen wordt wel vrijuit gevoelige informatie gedeeld: gezichten, namen, locaties van uitzendingen, foto’s van gebombardeerde huizen en de militairen met wapens.
We leren hun manier van communiceren kennen, de grapjes en de emoji’s in de omschrijving van hun accounts ontcijferen. Poppetje met parachute in profiel? Dan zitten ze bij de paratroopers, de parachutisten van de idf, bijgenaamd ‘Flying Serpent’. Het is een brigade van enkele duizenden militairen. Een groene slang ernaast? Dat staat voor het bataljon waar ze in zitten, de 101 met bijnaam ‘cobra’, bestaande uit ongeveer zeshonderd man. Emoji van een rood kruis? Dat staat voor de compagnie, waar zo’n honderd man in zit. En een spookje? Dat is de ghost-unit, het peloton van de scherpschutters: nog maar een klein groepje van een man of twintig.
We zien ook veel beelden van een soort ceremonies. Ter voorbereiding bouwen de jonge mannen metershoge torens, waaraan de vlaggen van verschillende pelotons wapperen. Op de achtergrond van de filmpjes hoor je trommels slaan. Een voor een worden leden van het bataljon op het podium geroepen voor een speech. De militairen knuffelen elkaar, schreeuwen en zingen, terwijl ze de vlag van hun peloton als cape dragen en op elkaars nek klimmen.
Guy Ben Yehuda Berlfein, onderzoeker bij Breaking the Silence, een organisatie van idf-veteranen die getuigenissen verzamelen van soldaten over activiteiten van het leger in bezette gebieden, legt ons uit dat er in de idf een sterke cultuur van senioriteit is. Hoe langer je erbij zit, hoe meer privileges. Vrij vertaald uit het Hebreeuws heet wat we hier zien een ‘schreeuwceremonie’. Op zo’n avond, vertelt hij, vieren de militairen dat ze weer een tijdje langer in dienst zijn, en stijgen in senioriteit.
Gaza, mei-augustus 2025 In januari 2025 gaat een staakt-het-vuren van kracht in Gaza. Onder de overeenkomst zullen Hamas en Israël gevangenen en gijzelaars uitwisselen, zal Israël weer humanitaire hulp toelaten en de idf zal aanvallen st