Ga direct naar inhoud Van ouderen verlangen dat ze in hun wooncomplexen naar elkaar omzien? Een boodschap meenemen, prima. Hulp bij steunkousen – dat gaat te ver
achtergrond Seniorenflats Het kabinet kondigde maandag aan 420 miljoen euro extra te steken in de bouw van seniorenwoningen. Onder meer in woongemeenschappen voor ouderen die, als het even kan, elkaar de helpende hand bieden. Onderzoekers namen vier van zulke plekken onder de loep. Ouderen blijken te schipperen tussen verbondenheid en vrijheid en tussen zelfredzaamheid en onderlinge zorg.
Ingmar VriesemaIngmar Vriesema Ingmar Vriesema
Ingmar Vriesema Gepubliceerd op 7 juli 2026 om 11:16 Leestijd 5 minuten
Onderzoeker Jante Schmidt bij een ontmoetingsruimte voor bewoners van een ‘Lang Leven Thuis-flat’ in Amsterdam Nieuw-West. Foto Merlijn Doomernik
Een negentiger in een Amsterdamse seniorenflat zegt zich achter zijn eigen voordeur geregeld eenzaam te voelen „als een farao in een grafkelder”. Bekruipt dat gevoel hem, dan zoekt hij in zijn flat contact. Op de begane grond is een ontmoetingsruimte met een dagelijks program van workshops en activiteiten. „U neemt gewoon de lift en u bent er”, aldus de website van zijn flat. Maar opvallend genoeg gaat de man daar niet heen. Hij verkiest het zitje beneden in het halletje bij de lift waar doorgaans niemand zich lang ophoudt. Behalve hij. Hij neemt plaats, slaat zijn krant open, bladert erdoorheen en kijkt niet op of om. Totdat een medebewoner langsloopt. Dan knoopt hij, de krant opengeslagen, een praatje aan. Dat doet hij met elke passant opnieuw. Over het weer, de boodschappen, iemands nieuwe schoenen.
In een andere seniorenflat in Amsterdam doet een tachtiger iets soortgelijks. Wordt het hem thuis te stil, dan neemt hij de lift naar beneden en „snuffelt” rond in het winkeltje op de begane grond in de hoop iemand tegen het lijf te lopen. „En dan ga ik weer naar boven.”
Waar zijn deze mannen mee bezig? Waarom mijden zij de ontmoetingsruimte? Waarom dat geblader in een krant, dat gesnuffel in een winkeltje?
Deze mannen, schrijven onderzoekers in een recent verschenen onderzoeksrapport over samenleven in seniorenflats, kiezen de route der „terloopsheid”. Mensen komen nu eenmaal niet graag over als sociaal behoeftig. Want dan stel je je kwetsbaar op, terwijl er altijd een kans is op afwijzing en daarmee op „gezichtsverlies”. Dan liever de dekmantel van de krant op schoot of – o ja, stom! – je ‘vergeet’ je melkpak in het winkeltje.
Lees ook Moderne verpleeghuizen kunnen verwarrend zijn voor mensen met dementie: ‘Iemand ging naast de wc liggen en viel daar in slaap’ Sociale dynamiek in seniorenflats De sociale dynamiek in seniorenflats wordt tot in detail uit de doeken gedaan in het rapport, Bouwen aan zorgzame woongemeenschappen in een vergrijzende stad van de Hogeschool van Amsterdam en het Ben Sajet Centrum, een Amsterdamse denktank voor zorgvraagstukken. De onderzoekers namen van 2023 tot 2026 vier Amsterdamse seniorenflats en omliggende buurten onder de loep. Flats waar, zo is de hoop, een levendige gemeenschap van ouderen ontstaat zoals die op talloze plekken in Nederland wordt nagestreefd. Ouderen wonen samen in hofjes, in omgebouwde kerken en boerderijen, in ‘levensloopbestendige’ flats. Telkens met de bedoeling dat ze naar elkaar omzien, onderling hand- en spandiensten verlenen en misschien zelfs een zekere mate van zorg. Immers, het aloude verzorgingshuis is wegbezuinigd en er is een groeiend gebrek aan zorgpersoneel, zeker in het licht van de vergrijzing. Deze maandag maakte het kabinet-Jetten bekend 420 miljoen euro extra te investeren in de bouw van huizen voor ouderen waaronder seniorencomplexen met „gemeenschappelijke woonruimten”.
In hoeverre leiden woonvormen met oog voor gemeenschappelijkheid eigenlijk tot gemeenschapszin? Hoe gaat dat in z’n werk? De onderzoekers verdiepten zich in zogenoemde ‘Lang Leven Thuis-flats’, Amsterdamse seniorencomplexen met voornamelijk sociale huurappartementen. Per flat werken telkens één zorgpartij, één welzijnsorganisatie en één woningcorporatie samen om er met bewoners naar te streven dat zij er tot op hoge leeftijd naar tevredenheid wonen. „Fysiek toegankelijk, veilig, met zorg op maat, leuke activiteiten en gezellige ontmoetingsruimten”, aldus de online toelichting op het concept, dat sinds 2023 werd geïntroduceerd in vier bestaande seniorencomplexen en inmiddels wordt toegepast in twintig flats in de hoofdstad. De onderzoekers spraken met 86 bewoners van gemiddeld 79 jaar oud en met 22 professionals, zoals zorg- en welzijnswerkers.
Mensen is jarenlang voorgehouden dat ze ‘zelfredzaam’ moeten zijn. Ze komen gewoon niet graag over als te kwetsbaar Jante Schmidt onderzoeker Ben Sajet Centrum Hun conclusie: het creëren van een flatgemeenschap wordt onderschat. „Er is vooraf niet goed uitgeplozen wat ‘omzien naar elkaar’ met zich meebrengt wanneer je buren ook oud zijn en in sommige gevallen steeds kwetsbaarder, bijvoorbeeld door dementie”, zegt socioloog Jante Schmidt (35), onderzoeker van het Ben Sajet Centrum. Zeker, zegt ze: bewoners in de flats groeten elkaar, bij de lift, op de galerij, bij de brievenbus. Ze knopen praatjes aan, al kennen ze lang niet altijd elkaars naam, maar „die mevrouw met dat kleine hondje” is wel erg sympathiek. Dat terloopse contact mondt ook geregeld uit in wat de onderzoekers „alledaagse attentheid” noemen: ze letten op of bij de buurman de gordijnen ’s ochtends opengaan en ’s avonds weer dicht, ze bellen aan als ze ruiken dat de buurvrouw haar eten heeft laten aanbranden, ze delen de krant, geven bij afwezigheid elkaars planten water.
Lees ook Robot, bedsensor, heup-airbag: in dit verpleeghuis is ‘innovatie’ geen lege huls Met kwetsbaarheid ontstaat frictie Maar zodra de kwetsbaarheid van medebewoners toeneemt, ontstaat frictie. Deze behoevende bewoners durven in veel gevallen niet om al te veel hulp te vragen, zegt Schmidt: „Mensen is jarenlang voorgehouden dat ze ‘zelfredzaam’ moeten zijn. Ze komen gewoon niet graag over als te kwetsbaar.” En durven ze dat wél, overwinnen ze hun angst op gezichtsverlies, dan kunnen ze zomaar worden teleurgesteld. Want de meeste bewoners schrikken wel degelijk terug voor een veeleisende, langdurige zorgrelatie met een flatgenoot: dat zien zij veelal als een te grote inbreuk op hun autonomie.
Zoals een 69-jarige bewoonster die een oudere, vergeetachtige buurvrouw eens uitnodigde te komen eten en tot haar schrik zag dat zij op haar bank in slaap viel. „Dan voel ik mij niet meer fijn in mijn eigen huis”, vertelde ze aan de onderzoekers. Het bleef bij dat ene etentje. Een tachtigjarige vrouw vertelde dat bewoners elkaar waarschuwen voor die ene buurvrouw die ’s nachts ronddwaalt door de gangen: „Mensen zeiden: ‘niet je telefoonnummer geven, niet je huisnummer, want als ze weet waar je woont, dan heb jij haar dus ’s nachts.”
Ook hulp bij geldzaken wordt vaak gezien als te persoonlijk: je banksaldo gaat de buren niet aan En zo zijn bewoners voortdurend aan het schipperen: tussen zelfredzaamheid en onderlinge zorg, tussen verbondenheid en vrijheid. „De meeste potentie voor zorgzaamheid in de flat”, schrijven de onderzoekers, „ligt op het snijvlak van alledaagse attentheid en lichte onderlinge zorg.” Denk aan het meenemen van een boodschapje voor je buur, een lamp indraaien, te hulp schieten als iemand zich heeft buitengesloten. Het vragen – of bieden – van lichamelijke hulp, zoals het aantrekken van steunkousen, gaat de meeste bewoners te ver. Ook hulp bij geldzaken wordt vaak gezien als te persoonlijk: je banksaldo gaat de buren niet aan.
De aanwezigheid van professionele zorg- en welzijnsmedewerkers is volgens de onderzoekers essentieel. En dan niet eens zozeer voor het bieden van zwaardere zorg op zich. Alleen al het beséf dat er professionals nabij zijn, verlaagt voor bewoners de drempel om elkaar hulp te bieden. Immers, er is „achtervang” aanwezig aan wie zij de zorg voor de warrige buurvrouw kunnen overdragen zodra die te intensief dreigt te worden.
Variatie in activiteiten is heel belangrijk, zegt onderzoeker Jante Schmidt. Foto Merlijn Doomernik
Niettemin leiden ook de interventies van de professionele zorg- of welzijnswerkers soms tot ongewenste uitkomsten. Een van hen moedigde een man van in de tachtig aan een keer mee te doen met het sjoelclubje. Pardoes won de man het potje van de dag. „Dat vonden ze niet leuk”, vertelt de tachtiger. „Oudjes kunnen ruzie maken hoor.” Toen de man vervolgens wilde gaan zitten, kreeg hij van het groepje te verstaan dat de stoel bezet was. Ook de professionele kracht, vertelde de man aan de onderzoekers, „vecht” tegen deze kliekvorming.
Vaste clubjes alleen met mate Op zich zijn vaste clubjes prima, zegt Jante Schmidt: dat versterkt de onderlinge banden. Maar faciliteer ze wel met mate, is haar advies. „Reserveer bijvoorbeeld alleen de dinsdagmiddag voor dat ene clubje en stel de ruimte een ander dagdeel expliciet open voor wie verder maar wil komen sjoelen. En tussen tien en twaalf is er koffie-inloop voor iedereen. Een combinatie dus van openheid en beslotenheid. Zodat verschillende typen bewoners zich thuis voelen op zo’n plek.”
Valkuil, zeggen Schmidt en haar collega-onderzoekers, is om vanuit het streven naar ‘meer’ gemeenschap en ‘meer’ verbinding eenvoudigweg ‘meer’ activiteiten te organiseren. Het gaat juist om variatie, zegt ze. „En beperk je dan ook niet alleen tot de ontmoetingsruimte. Lang niet iedereen voelt zich daar prettig. Zijn er ook andere vormen van contact die je kan stimuleren? Denk aan die terloopse ontmoetingen.”
Zoals de negentiger op de stoel naast de lift. Dat moet je hem niet afpakken, volgens de onderzoekers. Laat die man vooral doorgaan met veinzen dat hij de krant leest.
Lees ook Ze gaan niet naar het verpleeghuis: ‘We zijn 64 jaar samen. Dan ga ik hem toch niet afstaan?’
Geef cadeau
Deel
Mail de redactie