De onzichtbaren Elke week schrijft Margriet Oostveen een column waarvoor zij het land intrekt. Deze keer: de noodopvang in IJsselstein.
Margriet Oostveen beeld Milo
22 juli 2026 – verschenen in nr. 30
Luisteren
Cadeau geven
Delen
Leeslijst Play
00:15 03:26 Mute
Settings Dit verhaal is voorgelezen door de auteur.
Tien witte kindertjes spelen op een groot blauw zeil met water (‘Hier komt de zee!’). Plaats genoeg, bij voetbalvereniging IJFC in IJsselstein. Lege voetbalvelden zinderen in de zon. Alleen op het hoofdveld laten wat jongens relaxed een bal rondgaan, muziekje uit een boombox erbij. Recht in het zicht van de noodopvang maar onbereikbaar voor leeftijdgenoten daar.
7 baby’s en peuters, 84 leerplichtige kinderen en 53 volwassenen leven de komende zes maanden zorgvuldig opgeborgen op het veelbesproken achterste voetbalveld, in noodcontainers zonder schaduw. Kleine slaapkamertjes voor vier personen, twee stapelbedden. Zonder airco, zoals de wethouder nadrukkelijk vermeldde in zijn informatievideo: ‘heel sober’.
Allen zorgvuldig apart. Onzichtbaar gemaakt, secuur afgeschermd door hekken met zwart plastic. Zo regelt Nederland problemen weg: heel precies, netjes en duidelijk uitgevoerd. Zodat het bijna normaal lijkt. Knappe statushouder die van hieruit weet te integreren.
Alle onzichtbaren op dit veld worden statushouder of zijn dat al. Ze kwamen om te blijven, ze zijn erkend nareizend familielid van gezinsleden die in hun eentje vooruit gingen en vaak hun leven waagden op zee. Meestal al jaren geleden. Niet zelden waren die destijds zelf nog kinderen.
Toen de eerste vijftig nareizigers maandag 6 juli aankwamen, stonden hier ’s avonds weer twintig hooligans voor de opvang. Er is brand gesticht en geïntimideerd. Die mensen hebben nu een gebiedsverbod. Op het prikbord bij de receptie beschrijft, tussen andere lieve kaartjes, een geschokte IJsselsteinse wat ze hoorde toen ze die avond langs liep: dorpsgenoten die ‘kotsgeluiden’ maakten naar de arriverende nieuwe bewoners.
Het gemeentebestuur berekende de schade uit april, toen extremisten de ruiten van het gemeentehuis met bakstenen ingooiden: 25.000 euro. De man die agenten daarbij met zwaar vuurwerk bekogelde (gehoorschade, brandplekken op een hoofd) kreeg vijf maanden cel.
Mensen die zichzelf beter vinden dan anderen bevestigden tientallen Nederlandse vlaggen met tiewraps aan lantaarnpalen. Een huiveringwekkend gezicht, ook nu ze slap als vieze vaatdoeken in de hitte hangen. Veel IJsselsteiners vinden de vlaggen beschamend.
Maar vanaf nu moeten we door, of met vakantie, en doet iedereen die professioneel betrokken is hartgrondig alsof alles weer normaal is.
Niemand mag van het COA de eerste vier weken het terrein op, ook de tientallen vrijwilligers niet, die graag al zouden beginnen met taallessen en spelletjes voor de kinderen. Het formele argument is dat de nieuwkomers, net in Nederland, deze tijd nodig hebben om te ‘landen’. Ik zie veel klusbusjes voor zaken die door alle consternatie nog niet af zijn. En veel rondscharrelende kinderen in de leeftijd waarop vier weken een eeuw kunnen duren van verveling.
Links in de noodopvang is nog een strookje gras. Een jongen van een jaar of zestien kijkt zoekend rond. Maar er is geen bal.