Ga naar de inhoud
Theorie en praktijk van het illiberalisme De illiberalen van nu zijn niet de fascisten van toen Om de uitholling van de westerse rechtsstaat beter te begrijpen biedt het concept van illiberalisme betere aanknopingspunten dan populisme, fascisme, autoritarisme of rechts-extremisme. Vooral het werk van Marlène Laruelle is verhelderend.
Frank van Vree
7 januari 2026 – uit nr. 1-2
Cadeau geven
Delen
Leeslijst
De Hongaarse premier Viktor Orbán samen met muzikanten na hun optreden voor het Nationaal Museum in Boedapest, op de nationale feestdag van het land, 15 maart 2024 © Attila Kisbenedek / AFP / ANP In mei 2024 reisde de Hongaarse premier Viktor Orbán naar Washington, niet om president Joe Biden te ontmoeten, maar de man die kort daarvoor de Republikeinse voorverkiezingen had gewonnen, Donald Trump. Ondiplomatiek, maar verrassend was Orbáns keuze voor Trump niet. Terwijl Biden hem zag als een politicus die ‘op zoek was naar een dictatuur’, orakelde Trump dat er niemand was ‘die beter, slimmer of een betere leider’ was dan Viktor Orbán, ‘hij is fantastisch… hij is een geweldige leider’.
Trump was echter niet de enige, zelfs niet de belangrijkste reden voor Orbáns bezoek aan Washington. Hij was er op uitnodiging van de Heritage Foundation, de machtige, exclusieve denktank voor rechts Amerika. Voor een besloten gezelschap werkte Orbán in een lezing alle thema’s van zijn eigen politieke agenda af, tot grote tevredenheid van de aanwezigen. Veel van deze ideeën sloten immers naadloos aan bij Project 2025, het programma dat een jaar eerder door de Heritage Foundation was gepubliceerd en waarin werd voorgesteld de federale regering van de Verenigde Staten te hervormen en de uitvoerende macht veel meer bevoegdheden te geven, met het doel een uiterst rechts, christelijk-nationalistisch beleid te realiseren.
De bijeenkomst in Washington vormde een mijlpaal in de steeds nauwere internationale samenwerking tussen rechts-conservatieve, extreem-rechtse en populistische organisaties en personen uit verschillende westerse landen, een ontwikkeling die hand in hand is gegaan met hun electorale opmars. Wat deze bewegingen met elkaar gemeen hebben, is hun streven de invloed en autonomie van andere instituties, zoals rechtbanken, controlerende lichamen, media en universiteiten terug te dringen ten gunste van de centrale uitvoerende macht; nationale soevereiniteit ver te verheffen boven internationale samenwerking; minder ruimte te bieden voor individuele rechten en rechten van minderheden; en traditionele waarden en hiërarchieën te versterken waar het gaat om gender en familie, religie, kunst, nationale symboliek en geschiedenis. Niet zelden klinken bij dit alles xenofobe, soms ronduit racistische geluiden door, direct verbonden met opvattingen over de ‘ware’ aard en cultuur van het ‘eigen volk’.
Niet alleen in de media en de politiek, ook in de wetenschap wordt geworsteld met de vraag waar deze bewegingen ideologisch gezien geplaatst moeten worden en hoe ze met elkaar samenhangen. Kregen ze aanvankelijk vooral etiketten opgeplakt als ‘populistisch’ of ‘rechts-populistisch’ (PVV, Vox in Spanje) dan wel extreem-rechts (Fratelli d’Italia, Lega Nord, Front National, Vlaams Blok), nu vallen steeds vaker termen als autocratisch of fascistisch, met name in het geval van regimes in landen als Hongarije, Slowakije en, natuurlijk, de VS. Grote, alarmerende woorden, die tegelijk veel vragen oproepen.
Dat laatste geldt ook voor andere concepten die in dit verband uit de grabbelton van de geschiedenis worden opgevist. Trump, Erdogan, Bolsonaro – ze passen ook naadloos in oudere politieke theorieën over caesarisme en bonapartisme, zoals uiteengezet in De achttiende brumaire van Louis Bonaparte (1852) van niemand minder dan Karl Marx of de Notities uit de gevangenis van Antonio Gramsci, vanaf 1927 opgetekend in de kerkers van Mussolini. In deze klassieke werken werd al uitvoerig stilgestaan bij de tekorten van de liberale democratie en de mogelijk tirannieke, autoritaire uitkomst van democratische electorale processen. Volgens sommige historici zou het dan ook zinvoller zijn om figuren als Javier Milei of Donald Trump te vergelijken met Napoleon en zijn neef Napoleon III of de revanchistische Franse generaal Boulanger dan met Hitler of Mussolini, zo bleek niet lang geleden tijdens een conferentie aan de Universiteit van Göttingen, georganiseerd door de Italiaanse historica en Gramsci-expert Francesca Antonini. Het zijn nuttige en verrijkende oefeningen, maar toch wordt al snel duidelijk dat dergelijke theorieën over het bonapartisme en caesarisme uiteindelijk te weinig concrete aanknopingspunten bieden om vat te krijgen op het ideologische karakter van hedendaagse bewegingen en hun leiders en de omstandigheden waarin zij opereren.
Datzelfde bezwaar geldt voor het concept populisme. Ook dat is problematisch, omdat het weinig tot niets zegt over de ideologische richting van een partij of politicus, maar in de eerste plaats betrekking heeft op de vorm en de taal waarin politiek wordt bedreven. Populisten zeggen op te komen voor de ‘werkelijke’ belangen van de meerderheid, tegen elites die slechts hun eigen zaken zouden dienen. Ze beroepen zich graag op democratische beginselen, maar tonen tegelijk weinig respect voor democratische instituties en rechten van minderheden. Populisme is in de eerste plaats een ‘discursief kader’, in de woorden van politicoloog Paris Aslanidis, maar voor welke zaak dit wordt ingezet, ligt daarmee niet vast. Politici van links tot rechts kunnen zich bedienen van populistische strategieën en praktijken.
Waar concepten als populisme en autoritarisme tekortschieten, hebben de termen ‘illiberalisme’ en ‘illiberale democratie’ meer te bieden. De begrippen gaan terug op een baanbrekend essay uit 1997, The Rise of Illiberal Democracy, van de hand van de Indiaas-Amerikaanse journalist en schrijver Fareed Zakaria. In dat artikel, gepubliceerd in Foreign Affairs, waaraan hij destijds was verbonden, waarschuwde Zakaria voor het uitbundige optimisme dat zich na de ondergang van het communisme van de westerse wereld had meester gemaakt, een euforie waar het boek van Francis Fukuyama, Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, nog geen drie jaar na de val van de Muur gepubliceerd, misschien wel de meest uitgesproken exponent was. Terwijl Fukuyama de ondergang van het communisme bestempelde als de definitieve triomf van de liberale democratie en markteconomie, betoogde Zakaria dat dit nog maar te bezien was.
Democratisering en liberalisering, zo waarschuwde hij, hoefden niet noodzakelijk samen te gaan. Met name in Latijns-Amerika, Oost-Europa en delen van Azië lieten democratisch gekozen regimes zich weinig tot niets gelegen liggen aan liberale beginselen als pluralisme, individuele vrijheden en checks and balances. Ze negeerden stelselmatig de constitutionele beperkingen van hun macht en ontnamen hun burgers fundamentele rechten en vrijheden, zo schreef Zakaria. Hij vond dat een gevaarlijke ontwikkeling, niet alleen voor de burgers van de betreffende landen, maar ook omdat het fenomeen van de illiberale democratie zich als een virus zou kunnen verbreiden.
Zakaria had waarschijnlijk niet kunnen bedenken hoe diep het virus van het illiberalisme zich zou invreten, ook in landen met een ogenschijnlijk stevig verankerde liberale orde. Al vanaf de late jaren negentig profileerden rechtse nationalistische en populistische partijen, te beginnen in Rusland en Centraal- en Oost-Europa, zich steeds nadrukkelijker als tegenstanders van de liberale democratie – een sluipende contrarevolutie tegen de door de VS en de Europese Unie gedicteerde politieke, economische en culturele globalisering.
Maar terwijl Poetin en zijn medestanders zich steeds verder verwijderden van wat zelfs maar leek op een democratisch stelsel, hielden de antiliberale partijen en regeringen in de meeste andere landen, zoals Hongarije, Polen en Turkije, vast aan wat je een minimalistische opvatting van democratie kunt noemen: een meerpartijenstelsel, regelmatige verkiezingen met, soms, referenda, vrijheid van meningsuiting en vergadering. Tegelijk keerden ze zich tegen wat Zakaria in 1997 had bestempeld als de grondslagen van het constitutionele liberalisme, waarin het juist gaat om de beperking van de macht door checks and balances, in de vorm van andere, min of meer autonome machtscentra zoals rechtbanken, politieke partijen, regionale regeringen, universiteiten, culturele instellingen en media – instituties die borg moeten staan voor pluralisme en de bescherming van minderheden.
Precies deze beginselen worden door de antiliberale democraten, van Hongarije tot de VS, ondermijnd. Zij tornen aan de zelfstandigheid van de rechterlijke macht, proberen universiteiten, media en musea naar hun hand te zetten, propageren een radicaal meerderheidsbeginsel en hebben een sterke voorkeur voor besturen per decreet, centralisatie en het benoemen van personen op basis van loyaliteit in plaats van competentie. Zakaria’s vrees is dus waarheid geworden – in die zin laat The Rise of Illiberal Democracy zich lezen als een routeplanner voor een hele reeks van rechts-nationalistische bewegingen en populisten, tot en met Trump en zijn vele Republikeinse medestanders.
De Hongaarse premier Viktor Orbán en president Donald Trump in het Oval Office, november 2025 © Daniel Torok / White House Een cruciaal moment in de ontwikkeling van het concept van de illiberale democratie was de omhelzing ervan door de Hongaarse premier Victor Orbán in een lezing voor de jaarlijkse Bálványos Zomeruniversiteit en Studentenkamp in het Roemeense stadje Băile Tuşnad, in juli 2014. De boodschap was ondubbelzinnig: een democratie hoeft ‘niet noodzakelijkerwijs liberaal te zijn’, aldus Orbán: ‘De nieuwe staat die we in Hongarije aan het opbouwen zijn, is een illiberale staat, een niet-liberale staat.’
Deze nieuwe illiberale staat moest een antwoord zijn op het falen van het libe