Schijn van partijdigheid ligt op de loer in kerkelijk tuchtrecht, toont zaak van bekende dominee Achtergrond Een predikant belt na een berisping met een tuchtrechter in zijn zaak. Vervolgens geeft hij anderen ook het nummer met het advies om die tuchtrechter te bellen. De kerkelijke rechtspraak is kwetsbaar voor (de schijn van) partijdigheid, zo blijkt in de nasleep van een onderzoek door het Nederlands Dagblad. Laura DijkhuizenWim Houtman donderdag 9 juli 2026, 10:46 De kwetsbare kerkelijke rechtspraak binnen de protestantse kerk leidt tot schijn van partijdigheid. De kwetsbare kerkelijke rechtspraak binnen de protestantse kerk leidt tot schijn van partijdigheid. beeld: Lucia Catalini In het kort De kerkelijke rechtspraak in de PKN is kwetsbaar voor partijdigheid door geheimhouding en onderlinge banden. Dominee Paul Visser belde na berisping met de tuchtrechter en gaf diens nummer door aan kerken en organisaties. Kerkelijke instanties zien geen aanleiding tot onderzoek, ondanks kritiek van kerkjurist De Jong op de procedure. Amersfoort
De tuchtrechtspraak in de Protestantse Kerk in Nederland is volledig geheim. Daarin is de kerk een uitzondering in de samenleving: in andere sectoren worden tuchtrechtelijke uitspraken (anoniem) gepubliceerd.
De kerkelijke colleges voor het opzicht daarentegen doen hun onderzoek achter gesloten deuren, delen hun uitspraak uitsluitend met direct betrokkenen, en zwijgen verder over de zaak. Alleen in het geval van een schorsing of ontzetting uit het ambt volgt een publieke mededeling.
Tekst loopt door onder de advertentie Overigens zijn klagers en beklaagden niet aan de geheimhouding van het classicale college voor het opzicht (CCO) gebonden.
Na het onderzoeksartikel van het Nederlands Dagblad over klachten in Rotterdam tegen de bekende dominee Paul Visser gebeurt er in dat licht iets opmerkelijks. De publicatie leidt ertoe dat lokale kerken en christelijke organisaties zich afvragen of ze nog verder kunnen samenwerken met Visser.
Sommige vinden van wel. Andere organisaties, zoals de EO en de missionaire organisatie IZB, beëindigen de samenwerking met hem. En een aantal kerkelijke gemeenten (waaronder zijn voormalige gemeenten in Den Haag en Amsterdam) zeggen preekbeurten af.
Het Nederlands Dagblad krijgt vervolgens berichten onder ogen die Visser stuurt aan gemeenten die preekbeurten teruggeven, of organisaties die de samenwerking met hem willen stopzetten. Hij geeft hun het nummer van de secretaris van het CCO in Zuid-Holland Zuid, dat hem een berisping had opgelegd.
Dit college zou volgens Visser ‘ontstemd’ zijn over de publicatie in het ND; de secretaris zou hebben ‘gevraagd’ of organisaties en gemeenten met vragen over Visser hem willen bellen. De predikant acht dit kennelijk ook in zijn belang.
Navraag van deze krant wijst uit dat ten minste vier organisaties of gemeenten dit bericht krijgen van Visser. Enkele nemen daadwerkelijk contact op met de CCO-secretaris.
Dit roept vragen op: schendt het CCO hiermee haar plicht tot geheimhouding? En wat zegt dat over de onafhankelijkheid van het college?
Waarom publiceert het Nederlands Dagblad dit? Het Nederlands Dagblad schreef eerder over klachten tegen dominee Paul Visser. Dit artikel is niet bedoeld om die kwestie opnieuw te beschrijven, maar gaat over de nasleep ervan.
Dat een berispte predikant contact zocht met de secretaris van het college dat hem berispt had, en andere partijen naar diezelfde secretaris verwees, roept fundamentele vragen op over het kerkelijke tuchtrecht. Dat is volledig geheim, wat het systeem kwetsbaar maakt.
Er bestaan bovendien al snel onderlinge banden in de kleinschalige wereld van de kerk. Vragen hierover legden we voor aan diverse kerkelijke instanties en een onafhankelijke kerkjurist. Ze raken niet alleen de zaak-Visser, maar ook het vertrouwen in de kerkelijke rechtspraak als geheel. Visser heeft het artikel voor publicatie onder ogen gehad en reageerde schriftelijk.
De kerk is een kleine wereld Het Nederlands Dagblad legt de kwestie voor aan diverse geledingen in de kerk: het CCO Zuid-Holland-Zuid zelf, de classis, het moderamen van de synode, en het landelijke college voor het opzicht (GCO, de instantie waar partijen tegen CCO-uitspraken in beroep kunnen gaan).
Deze instanties verwijzen naar elkaar, of zien geen reden dit verder uit te zoeken, zo zal blijken.
Eerst iets anders. De kerk is een kleine wereld. Mensen kennen elkaar, en dat geldt zeker voor predikanten. Dat maakt de kerkelijke rechtspraak kwetsbaar. De gulden regel in de rechtspraak is dat een rechter (of een lid van een tuchtcollege) zich terugtrekt als er sprake zou kunnen zijn van de schijn van partijdigheid. Maar in een kleine wereld als de kerk is er al snel een lijntje tussen een lid van een CCO en een beklaagde of klager.
In de zaken tegen Visser, ingediend door vrouwen die grensoverschrijdend gedrag hadden ervaren, bestaat het college uit vrijwel uitsluitend mannen, van wie een deel zich beweegt in dezelfde kerkelijke kringen als Visser.
Zo was de voorzitter van het college tot 2019 bestuurslid van de missionaire organisatie IZB, waar Visser in dezelfde periode zeer actief en sinds 2018 parttime in dienst was.
Klaas-Willem de Jong, universitair hoofddocent kerkrecht aan de Protestantse Theologische Universiteit, legt uit wat de kerkorde van de PKN zegt: iemand moet zich terugtrekken uit een college als ‘de onafhankelijkheid of onpartijdigheid’ van een oordeel ‘schade zou kunnen lijden’. Die concrete afweging moet iedere betrokkene zelf maken.
‘De kwaliteitsnormen moeten in de kerk zo mogelijk nog strenger zijn dan in het tuchtrecht elders in de samenleving.’ ‘In dit geval was de voorzitter blijkbaar niet direct afhankelijk van Visser, anders zou dat een belangrijk argument zijn om zich terug te trekken’, zegt hij.
In het algemeen is de kerkelijke rechtspraak wel erg kwetsbaar voor nauwe onderlinge banden, ziet ook De Jong. ‘De kerk versterkt dat, door op geen enkele wijze bekendheid te geven aan zaken en uitspraken. De kwaliteitsnormen moeten daarom in de kerk zo mogelijk nog strenger zijn dan in het tuchtrecht elders in de samenleving.’
Tekst loopt door onder de advertentie Een kerkelijk college zou zich volgens hem voorafgaand aan een zaak expliciet kunnen afvragen of de gegeven samenstelling de onafhankelijkheid en onpartijdigheid voldoende waarborgt.
In de zaak rond Paul Visser denkt De Jong dat vragen over onafhankelijkheid voorkomen hadden kunnen worden, als het CCO de zaak had overgedragen aan het Interclassicale College voor het Opzicht (ICO).
Dit gespecialiseerde college behandelt sinds 2025 alle zaken die te maken hebben met (mogelijk) misbruik in een pastorale relatie (zie kader). ‘Ik kan op basis van de bekende gegevens niet anders concluderen dan dat er argumenten waren om de zaak door te verwijzen.’
Procedure of inhoud Terug naar de situatie waarin een beklaagde en berispte predikant blijkbaar na de uitspraak contact heeft met de secretaris van het CCO, en tegen kerken en organisaties zegt: bel de secretaris van dit college met vragen over mijn persoon, hij kan je vertellen hoe het zit. Is dat in de haak?
Op vragen hierover reageert het CCO zelf (bij monde van dezelfde secretaris) aanvankelijk zeer summier. Er is inderdaad gebeld door ‘enkele gemeenten’, bevestigt hij. Hij heeft met hen niet inhoudelijk gesproken over de zaak, ‘enkel over de gevolgde procedure’.
Na aandringen van deze krant geeft het CCO meer informatie. Visser heeft zelf de secretaris gebeld naar aanleiding van ‘afzeggingen door gemeenten, preekvoorzieners en de EO’, zo schrijft het college. De secretaris vond het ‘niet gepast om het contact onmiddellijk te verbreken’. Daarom zou hij Visser geduldig en vriendelijk hebben aangehoord, zoals hij dat ook bij andere partijen zou doen.
Kerkelijke instanties wijzen naar elkaar en zien geen reden tot onderzoek. - beeld: Lucia Catalini
Daarbij zou hij hebben gezegd dat gemeenten of organisaties hem kunnen bellen met vragen over de procedure, niet over de inhoud van de kerkrechtelijke uitspraken.
Het college benadrukt dat het niet op de hoogte is van de berichten die Visser hierover vervolgens zelf heeft verspreid.
Docent kerkrecht De Jong denkt dat ook een gesprek over ‘de procedure’ tegen de regels is. Zelf is hij groot voorstander van het - geanonimiseerd - publiceren van uitspraken. Maar de PKN heeft een andere keuze gemaakt en dat betekent dat over zaken ‘volledig gezwegen’ moet worden.
‘Ik kan me ook niet goed voorstellen wat “inlichtingen over de procedure” inhouden. De kerkorde geeft de regels aan. Zodra het gaat over de concrete toepassing, is niet te vermijden dat ook de inhoud aan de orde komt, al is het maar impliciet en summier.’
Kleine synode Volgens de kerkorde van de Protestantse Kerk mag de kleine synode (een afvaardiging die vaker bij elkaar komt dan de generale synode) aan een CCO om opheldering vragen, als ze denkt dat dit college in gebreke blijft bij de ontplooiing van haar activiteiten.
Zijn de antwoorden niet afdoende, dan kan de kleine synode de kwestie voorleggen aan het Generale College voor het Opzicht - het landelijke tuchtcollege, dat ook zaken in hoger beroep behandelt.
Het Nederlands Dagblad legt daarom de kwestie voor aan het moderamen (dagelijks bestuur) van die synode. Dat reageert dat ‘signalen die bij een krant binnenkomen’ voor hen onvoldoende aanleiding zijn om in te gaan ‘op het functioneren van een vrijwilliger van een onafhankelijk kerkelijk rechtsprekend college’.
Sowieso spreekt de synode zich niet uit over rechtsprekende colleges; het desbetreffende kerkordeartikel zou vooral bedoeld zijn om een CCO erop aan te spreken als zaken te lang blijven liggen.
De Jong bestrijdt dat het moderamen alleen een zaak mag agenderen als die te lang blijft liggen. Bij het opstellen van de bepaling in de kerkorde is gesproken, zo legt hij uit, over ‘disfunctioneren’ van een college. ‘Dat is duidelijk ruimhartiger dan
The war in Ukraine, now in its fifth year, has reached another inflection point. Russian forces are visibly struggling on the battlefield as Kyiv’s strategy of making the war futile for Russia is working. But the future of European security does not hinge on the outcome of this war alone. Even if defeated, Russia will remain the primary threat in Europe for years to come. Despite its stagnating economy, poor demographics, and ossifying authoritarian regime, Russia remains the main power capable of and invested in upending the continent’s security architecture. Moreover, Russian military reconstitution after the war is not a question of if but of when. Defense planners and analysts are divided on the severity of the future danger that Russia’s military poses and how soon the threat could grow. Some fear that Moscow will be capable of continued aggression soon after the war in Ukraine ends. Others believe that it may take many years to reconstitute its weakened and degraded military. There is a sense that Russia’s losses of troops and equipment have left its forces in tatters and that a military incapable of making significant advances in Ukraine can’t possibly threaten Europe. Current trends suggest that Russia will reconstitute its military enough to pose a major threat faster than analysts expected back in 2022. It will likely take five to seven years, with Russia able to use force to threaten NATO members or Ukraine in more limited ways shortly after the current war comes to a close. Even if full reconstitution takes a few years longer, such a time frame is still short by defense planning standards. Russia will field a larger force with more drones, deep-strike capabilities, and personnel than before the war. It will continue to prioritize defense spending and maintain higher levels of defense industrial production. But the path to reconstitution will not be easy. Historically, Russian force development has been riddled with compromises, overly ambitious designs, insufficient resources, and poor execution. It is often a process of two steps forward and one step back. As the United States and many European states focus on ensuring Ukraine’s success, they must also think beyond this war and begin preparing for the enduring challenge that Russia poses. Russia’s military will remain strong enough to threaten NATO members’ territory and undermine the alliance, especially if continued U.S. commitment becomes uncertain. Rather than fight the way the Russian military has in the last two years in Ukraine, where the battlefield has been defined by entrenched defenses and positional fighting, Moscow will try to rebuild its capacity to conduct large-scale offensive maneuvers. It will retain a traditional focus on firepower, including artillery and precision-strike capabilities, while adding a large number of drone formations to the force. NATO forces remain superior overall but have yet to adapt to some of these changes, which could lead to higher losses in the opening days of a future war with Russia.