Deze e-mail doorgestuurd? Abonneer je hier voor meer De atheïst die de bekendste verdediger van het christendom werd De bekering van C.S. Lewis De Ongelooflijke aug 1
LEES IN DE APP
“Het leek op het moment waarop een mens, na een lange slaap, nog roerloos in bed ligt en zich ervan bewust wordt dat hij nu wakker is.” Zo omschrijft C.S. Lewis, een van de belangrijkste christelijke denkers uit de 20e eeuw, zijn bekering tot het christendom. Lewis was zijn hele leven op zoek geweest naar ‘echte vreugde’, maar niet naar God. Hoe werd deze man, die vroeger een uitgesproken atheïst was, christen?
Wie was C.S. Lewis?
Clive Staples (C.S.) Lewis (1898-1963) is een van de invloedrijkste schrijvers van de 20e eeuw. Hij doceerde Engelse literatuur aan de Universiteit van Oxford en werd in 1954 hoogleraar in de middeleeuwse en renaissanceliteratuur aan de Universiteit van Cambridge. Hij schreef meer dan dertig boeken. Hij was een overtuigd atheïst, maar bekeerde zich op latere leeftijd tot het christendom en werd een van de meest vooraanstaande verdedigers van het christelijk geloof. Hij brak in 1940 door bij het grote publiek met de publicatie van ‘Het probleem van het lijden’. Zijn radio-uitzendingen voor de BBC over het christelijk geloof tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten hem nog bekender. Zijn bekendste apologetische boeken zijn ‘Onversneden christendom’, ‘Brieven uit de hel’ en ‘De grote scheiding’. Lewis schreef daarnaast de populaire kinderboekenserie De Kronieken van Narnia.
De bekering van Lewis tot het christendom in de jaren ’30 trok geen enkele aandacht en ging ongemerkt voorbij. Dit in tegenstelling tot de bekering van enkele grote Engelse schrijvers in de jaren ‘20 en ‘30, waaronder de journalist G.K. Chesterton, de dichter T.S. Eliot en de auteur Evelyn Waugh. Die laatste bekering zorgde voor een schokgolf in literaire kringen en haalde zelfs de voorpagina’s van de Britse kranten. Voor Lewis gold dit dus niet, niemand had nog van hem gehoord. Hij was enkel een docent Engels aan Magdalen College, een van de 39 colleges van de Universiteit van Oxford. Toch zou Lewis’ stap naar het christendom in de decennia die volgden meer impact hebben dan al die andere bekeringen.
High Street in Oxford en Magdalen College in Oxford (1929) Ingesloten door God Lewis was een overtuigd atheïst voordat hij tot geloof kwam. Dat zie je aan de teksten die hij in de jaren ’20 schreef. Hij was kritisch op religie, en specifiek op het christendom. Toch kwam deze atheïstische wetenschapper, die zich later ‘de meest koppige bekeerling van heel Engeland’ noemde, tot geloof. Om dit te begrijpen, moeten we beginnen bij zijn liefde voor literatuur, schrijft zijn biograaf Alister McGrath. “Het is een essentieel onderdeel van zijn ontdekking van de rationele en inspirerende aantrekkingskracht van het christendom.” In Verrast door vreugde bevestigt Lewis dit: “Een jonge man die een overtuigd atheïst wil blijven, kan niet voorzichtig genoeg zijn met wat hij leest. Overal zijn valstrikken.”
In de literatuur die geworteld was in het christelijk geloof vond Lewis een verrassende diepte en een weergave van het echte leven die hij miste in de modernistische literatuur. Zo vond hij de boeken van George Bernard Shaw en H.G. Wells “te dun, niet diep genoeg en te simpel”. Door literatuur ontdekte Lewis dat het christendom hem kon helpen de wereld en zichzelf beter te begrijpen, stelt McGrath. Maar hij was op dat moment nog ver van de overtuiging dat het christendom waar was. Hij geloofde nog niet eens in het bestaan van God.
Schaakmat Hoe raakte Lewis dan overtuigd van het bestaan van God? Zijn proces van atheïsme naar theïsme vergelijkt Lewis met een potje schaken, waarin hij geen zetten deed, maar er wel zetten tegen hem gedaan werden. Hoewel hij niet op zoek was naar God, was God wel op zoek naar hem. Aan een goede vriend schreef hij in een openhartige en licht komische brief:
“Er gebeuren verschrikkelijke dingen met me. De ‘Geest’ of het ‘Ware ik’ vertoont een alarmerende neiging om veel persoonlijker te worden, gaat in de aanval en gedraagt zich net als God. Kom uiterlijk maandag naar me toe, anders ben ik misschien wel het klooster ingegaan.”
Lewis beschrijft beeldend het moment dat hij voelde dat God hem definitief schaakmat zette. Hij zat op dat moment op het bovendek van een bus. Onderweg probeerde hij altijd zijn gedachten op een rijtje te zetten.
“Ik werd mij ervan bewust dat ik iets op afstand hield, of iets buitensloot. (…) Ik voelde dat mij, daar en op dat moment, een vrije keuze werd gegeven. Ik kon de deur openen of haar dichthouden. (…) Ik koos ervoor open te doen, los te maken, de teugels te laten vieren. Ik zeg: ‘Ik koos’, maar het leek eigenlijk niet mogelijk het tegenovergestelde te doen. (…) Het voelde alsof ik een sneeuwman was die eindelijk begon te smelten. Het smelten begon in mijn rug – drup-drup, en weldra sijpel-sijpel. Ik vond het gevoel nogal onaangenaam.”
De wereld begrijpen – door geschiedenis, kunst en geloof. Ontvang iedere week nieuwe artikelen van De Ongelooflijke (gratis) in je mailbox.
Geabonneerd Lewis wenste niet dat God er was, maar hij werd gedwongen om in te zien dat God bestond. Hij vond het beangstigend. Door God toe te laten in zijn geest, ontstond een nieuwe situatie. De filosofische stelling dat God bestond, begon – in een allusie op een profetie uit het Bijbelboek Ezechiël – “te bewegen, haar doodskleren af te werpen, rechtop te staan en een levende aanwezigheid te worden”. Het werd hem niet langer toegestaan om filosoofje te spelen. God wilde niet discussiëren, schrijft Lewis. “Hij zei alleen: ‘Ik ben de Heer’; ‘Ik ben die Ik ben’; ‘Ik ben.’”
Deze goddelijke openbaring vervulde Lewis met afschuw. Waar, zo schrijft hij, “vrolijke agnosten” het hebben over “de zoektocht van de mens naar God”, voelde hij zich als een angstige muis die een kat zoekt. In zijn studeerkamer op de universiteit voelde hij avond aan avond “de gestage, onverbiddelijke nadering van Hem die ik zo vurig niet wilde ontmoeten”. Het was moeilijk om God nog langer buiten te houden, hij moest zich overgeven:
“Dat waar ik heel erg bang voor was, was eindelijk over mij gekomen. In het laatste semester van 1929¹ gaf ik mij gewonnen en erkende dat God God was, en knielde neer en bad. Misschien was ik die nacht de meest neerslachtige en tegenstribbelende bekeerling van heel Engeland.”
Naar de kerk Lewis geloofde nu in God, maar was nog geen christen. Toch besloot hij vanaf dat moment op zondag naar de Holy Trinity-kerk te gaan en doordeweeks naar diensten in de kapel van Magdalen College. Waarom hij naar de kerk ging? Niet omdat hij in het christendom geloofde of dacht dat het verschil tussen christendom en theïsme klein was, schrijft Lewis. Wel omdat hij vond dat je kleur moest bekennen met een duidelijk zichtbare stap.
Naar de kerk gaan sprak Lewis totaal niet aan. Hij vond de kerk een vermoeiend iets en zag niet in hoe het iets goeds kon doen voor je geestelijk leven. Heel eerlijk beschrijft hij wat hem zo tegenstond: “Al dat drukke, tijdrovende gedoe! De klokken, de menigten, de paraplu’s, de mededelingen, de drukte, het voortdurende regelen en organiseren.” Daarbovenop hield hij niet van zingen en het orgel was ook nog eens zijn minst favoriete instrument. Kerkgang was voor hem daarom “slechts een symbolische en voorlopige gewoonte”. Het bewoog hem niet richting het christelijke verhaal, stelt Lewis.
Magdalen College Chapel Maar dat Lewis kerkdiensten ging bezoeken, is toch van enorme betekenis, vindt McGrath. Want: “Zijn innerlijke wereld werd verbonden met de buitenwereld. Een verandering in de manier waarop hij dacht, zorgde voor een verandering in zijn publieke optreden.” De buitenwereld zag nu voor het eerst iets van het proces waarin Lewis zat. Door de academici van Magdalen College werd flink geroddeld over Lewis’ onverwachte interesse in de kerk.
Een nachtelijk gesprek met Tolkien Maar als het kerkbezoek Lewis niet richting het christendom bewoog, wat dan wel? Daarvoor moeten we aanschuiven bij een nachtelijk gesprek op 19 september 1931. Lewis had zijn christelijke collega’s Hugo Dyson en J.R.R. Tolkien, schrijver van The Lord of the Rings, uitgenodigd voor het avondeten. Ze raakten in gesprek over mythes en het christendom. Mythes waren belangrijk in het leven van Tolkien en Lewis. Al jong waren ze allebei gefascineerd geraakt door Noorse mythes. Na het eten maakten de mannen een lange wandeling langs Addison’s Walk en nadat de wind opstak, keerden ze terug naar het huis van Lewis, om daar hun gesprek voort te zetten.
Addison’s Walk Tolkien gaf Lewis tijdens dit gesprek een nieuwe lens waardoor hij naar het christendom kon kijken. Hij beargumenteerde dat Lewis met dezelfde verbeeldingskracht en openheid waarmee hij mythes las, ook het Nieuwe Testament moest lezen: de ware mythe. Met alleen zijn ratio zou hij de waarheid in het christendom niet vinden.
Mythes waren verhalen die een echo lieten horen van diepere waarheden, zei Tolkien. Een mythe kon volgens hem iets in je wakker maken, waardoor je gaat verlangen naar iets dat je voorstellingsvermogen te boven gaat. Mythes waren versplinterde fragmenten van het ‘ware licht’. Het christendom was, zo stelde Tolkien, niet de zoveelste mythe naast alle andere mythes, maar de vervulling van alle voorgaande mythes. Deze manier van kijken naar het christendom sprak Lewis sterk aan. Het gaf antwoord op een vraag die hij zichzelf als tiener al stelde: hoe kon het christendom de enige waarheid zijn en alle andere verhalen onwaar? Hij realiseerde zich nu dat de grote heidense mythes niet helemaal onjuist waren, maar echo’s van de volledige waarheid. En dat het christendom de ware mythe was die de andere mythes tot vervulling bracht. In aflevering 119 van De Ongelooflijke Podcast vertellen Anton de Wit en Stefan Paas hier meer over.
Door het gesprek met Tolkien veranderde er nog iets belangrijks: de werelden van de rede en de verbeelding werden met elkaa